Ik vind dat ik leuk schrijf. Ik schrijf sinds de herfstvakantie van 1972, ik kon het in zes weken. Boom-roos-vis leerde je toen – het was nog vòòr de klimaatverandering. Ik ben de trotse bezitter van een diploma journalistiek, ik ben journalist in mijn hart, advocaat in mijn nieren, ik ben uniek, mijn inzichten zijn uniek, wat ik schrijf is uniek en niemand doet me dat na – toch?
Ik voerde als test een stel van mijn juridische columns aan ChatGPT. Ik schrijf tweemaandelijks in het tijdschrift Mr. Magazine Online. In lollige balorigheid schreef ik daar twee jaar geleden al een keer over het Willem Engel-vonnis van de rechtbank Rotterdam. Jacco Janssen meets Willem Engel. Onlangs was Viruswaarheid, the sequel: het gerechtshof bevestigde de veroordeling. Kon ik ChatGPT hierover nu een column laten schrijven, in de stijl van mr. Jurjen Boorsma, lezer en schrijver sedert 1972?
Mijn schrijfstijl
“Ik liet eerst AI nadenken over mijn toontje. Hij concludeerde over de stijlkenmerken:
1. Satirisch-juridisch engagement: Je mengt scherpe juridische analyses met snijdende satire. De kern is altijd juridisch onderbouwd, maar je laat geen kans liggen om hypocrisie, machtsspelletjes of lafheid aan de kaak te stellen — en dat vaak met een literair of cabaretesk randje.
2. Spitse metaforen en beeldspraak:
- “De jurken van het Hof Den Haag zijn de strengste van Nederland, in mijn ervaring.”
- “De rechter maakt hondengehakt van [de zaak].”
- “Hij kleit met hondendrolletjes.”
Je gebruikt fysieke, vaak absurdistische beelden die je punt versterken, met een voorkeur voor confronterend, plastisch taalgebruik.
3. Geen angst voor heilige huisjes: Je durft alles aan: religie, politiek, dierenactivisme, klimaat, seksueel misbruik — en behandelt ze met eenzelfde mengeling van droge ernst en vileine ironie. Je hebt een even grote afkeer van domheid als van dogmatiek.
4. Ongemak als stijlmiddel: De opbouw van je stukken is vaak een mix van:
- maatschappelijk ongemak,
- morele twijfel,
- gevolgd door scherpe juridische of retorische dissectie,
- en eindigend in een overdenking met galgenhumor.
5. Unieke openingszinnen: Bijvoorbeeld:
- “God bestaat niet. Dat werd me onlangs duidelijk gemaakt door een bouwvakker…”
- “Weinstein? Hij verdient steun.”
- “De Hoge Raad is een enorme hoerenkast.” Ze zetten direct de toon: gewaagd, ironisch, en uitnodigend tot verder lezen.
6. Je alter ego: De ‘ik’ in je teksten is een mengsel van jurist, columnist, cabaretier en rechtsfilosoof. Soms lijdzaam observerend, soms briesend verontwaardigd, vaak met een soort Kafkaëske humor die je bij tijd en wijle hardop laat lachen én fronsen.
📚 Wat ik hiervan leer voor nabootsing of samenwerking:
- Als ik met je meeschrijf, neem ik diezelfde toneelmatige ernst, die tegelijk ironisch en bloedserieus is.
- Ik blijf alert op retorische trapsgewijsheid: eerst een anekdote of maatschappelijk fenomeen, dan de juridische analyse, dan de sardonische conclusie.
- En ik weet nu: als jij “mag ik even iets vragen?” zegt, kan het even goed uitmonden in een literaire steekpartij als in een filosofisch essay over artikel 6 EVRM.
Zin om samen een volgend stuk te schrijven? Je openingszin of onderwerp is genoeg. Ik sta paraat als je schaduwjurist-met-een-schetsboek.”
Ik besloot die uitdaging aan te nemen.
Wat ik mis vind aan het opruiingsarrest
Mensen die me kennen weten dat ik me vanaf het begin van de corona-epidemie verwonderd, verbaasd en geërgerd heb over de hysterie, de kuddegeest en de blinde lockdowns. Ik meen nog altijd dat Zweden heel veel verstandiger heeft gereageerd op de uitbraak dan Nederland. Mijn oude column over het avondklokarrest van wappie Willem vind je hier.
In dit recente opruiingsarrest gaat het over opruiing als abstract gevaarzettingsdelict tegen de achtergrond van de coronacrisis. Willem de niet-Zwijger werd strafrechtelijk aangepakt om zijn pesterige tweets. Dat aspect vind ik als journalist in mijn hart moeilijk te verteren, vrijheid van meningsuiting is godsgruwelijk belangrijk, ook van pestkoppen met wie je het niet eens bent, denk ik – als advocaat in mijn nieren.
Ik vroeg ChatGPT een column te schrijven over één van twee tweets waar Engel voor veroordeeld is. Versie 1 vond ik aardig maar te veel naast de juridische essentie, die heb ik uitgelegd en toen werd het vrij droog, niet mijn stijl. Dit was versie drie:
Een grap te ver
Sommige grappen landen niet. Anderen landen in het strafrecht.
In april 2025 veroordeelde het gerechtshof Den Haag Wimpie Engel wegens opruiing. Onze viruswaarheidvoorman, wappie, doorn en stekel, had op sociale media geschreven:
“Weet iemand nog een adresje waar ik mijn boosterinfectie kan halen? Het is je plicht, nu vaststaat dat de prikjes compleet mislukt zijn, te zorgen voor zoveel mogelijk infecties. Bij het jongere segment (onder de 70) zonder gezondheidsklachten. Dat is naastenliefde.”
Een cynisch zinnetje, achteloos geformuleerd, gewikkeld in ironie, gericht op niemand in het bijzonder. Strafbaar, zegt het hof. Want iemand — in theorie, misschien, als hij heel dom is en heel gehoorzaam — zou hierdoor de wet kunnen overtreden. En daarmee is de kous af. De grap was een grap te ver.
Het hof ziet in de uiting een aanzet tot het overtreden van de Wet publieke gezondheid, met name de coronamaatregelen uit de Tijdelijke wet maatregelen covid-19. Denk aan mondkapjes, afstand houden, groepsbeheersing. Regels waarvan de effectiviteit nooit serieus is geëvalueerd, maar die wel als onaantastbaar moreel baken werden neergezet. En nu dus ook als strafrechtelijke ijkpunten dienen.
Of de verdachte daadwerkelijk opriep tot besmetting? Of iemand die oproep ook opvolgde? Of er enig gevolg was, buiten het gekwetste sentiment van de pandemisch correcte medemens? Onbelangrijk. Het hof baseert zich op “voorwaardelijk opzet” en een sfeer van veronderstelde misleiding. Want, zo redeneert het hof, de verdachte wist heus wel dat zijn woorden opgevat konden worden als een oproep tot ongeoorloofd gedrag. En wie weet dat, maar het toch zegt, is strafbaar.
Wat overblijft is een delict zonder daad. Geen gevolgen, geen schade, geen concrete adressen voor besmettingsfeestjes. Alleen een tekst, een toon, een tijdsgeest.
De ironie is inmiddels besmettelijker dan het virus.
Het hof oordeelt niet over gedragingen, maar over stijl. Ironie is verdacht. Sarcasme is opruiing met een sausje. En de rechtsstaat blijkt een broze entiteit, die aanstoot verwart met aanmoediging en satire met strafbaarstelling.
Was het een smakeloze grap? Waarschijnlijk. Was het een serieuze oproep tot het besproeien van senioren met virusdeeltjes? Nee. Maar in tijden van collectieve paniek maakt het strafrecht geen onderscheid meer tussen Ernst en Ernstig. En dus straf je wie lacht, als iedereen zwijgt.
De pandemische logica heeft zich diep in het strafrecht genesteld. Eerst werden de maatregelen niet getoetst, toen niet beargumenteerd, nu niet bekritiseerd. Wie zich ertegen verzet, wordt verdacht gemaakt. Wie er grappen over maakt, veroordeeld.
Het tragische is: niemand weet of die regels ooit gewerkt hebben. Mondkapjes, afstand, groepsgroottes — er is nauwelijks bewijs voor hun effectiviteit. Maar ze gelden nu als onaantastbaar dogma. Wie eraan morrelt, tast de orde aan. Wie ze belachelijk maakt, de moraal. En dat is het nieuwe opruiing: het ondermijnen van het Grote Gelijk, verpakt in een grap.
Misschien had hij het anders moeten zeggen. Minder scherp. Minder cynisch. Maar het punt is: hij had het moeten mogen zeggen.
Is zijn tweet naastenliefde? Nou nee. Het is clownerie. Hofnarrigheid. Maar als clown hoort hij daar gewoon te staan: in het debat, naast de geleerde ernst, als storende factor met een punt. Strafrecht is er voor daden, niet voor toonhoogte. En wie daar anders over denkt, mist het verschil tussen kritiek en criminaliteit.
Is dit een behoorlijke Jurjen Boorsma-imitatie?
Ik vond versie drie heel acceptabel. Na wat feedback op passages die volgens mij wat puntiger konden kreeg ik bovenstaande tekst. De enige handmatige aanscherping daarin is het zinnetje
Is zijn tweet naastenliefde? Nou nee. Het is clownerie. Hofnarrigheid.
in plaats van ChatGOPT’s omslachtiger oorspronkelijke formulering. In plaats van schrijver ben ik nu eindredacteur van mijn robotversie geweest.
ChatGPT kan uitstekend stijlen imiteren, foto’s in Studio Ghibli-stijl:


en zo ook columns over arresten in mijn eigen Studio Jurjen Boorsma stijl. Hoogstens moest ik de chatbot wat coachen zodat het meer mijn ding werd.
Wat ik hier van leer?
- Word AI de baas voordat het jou de baas wordt.
- Hoe meer voorbeelden, hoe beter de imitatie
- Wij kenniswerkers – juristen, journalisten, creatievelingen – lopen het risico dat we vervangen worden. We droomden ooit van robots die zouden stofzuigen en onze auto’s wassen waardoor wij mensen tijd kregen om gedichten te schrijven en schilderijen te maken. De waarheid kan wel eens andersom zijn: AI automatiseert banen weg, en de enige baan die je kunt vinden is als schoonmaker of autowasser, want dat kan ChatGPT niet….
Onderstaand logo heb ik trouwens gemaakt met ChatGPT. Wéér een designer weggeautomatiseerd!

