Ik heb een fantastisch schattige dochter van 16 die vorige week eindelijk klaar was met haar beugel en die deze week zonder dat martelwerktuig een mondeling had over Nooit meer slapen van Willem Frederik Hermans. Mooi boek.
“Geen mens weet waartoe hij in staat is, voor hij alles geprobeerd heeft.”
Dat zou mijn levensmotto moeten zijn.
Of neem deze:
“Wat is mijn kathedraal? Ik werk aan een kathedraal die ik niet ken en als hij voltooid is, zal ik er niet meer zijn en niemand zal weten dat ik eraan heb gewerkt.”
Ze was het boek aan het luisteren, niet lezen tot mijn teleurstelling, kennelijk is dat modern-tienerig-eenentwintigste-eeuws-hip of zo en ze legde me uit dat ze het met haar docent moest gaan hebben over ‘de historische context van ‘Nooit meer slapen’. In mijn tijd ging je dan naar de bibliotheek, je las het literair historisch lexicon van Knuvelder en een leesmap met recensies en interviews. Anno nu mag zij het uitzoeken op internet. Ik ging voor mezelf nog een stap verder en vroeg me af: mag je het uitzoeken met ChatGPT?
Ik heb mijn kinderen wel eens geholpen door een simpel fotootje te maken van hoofdstukken uit hun lesboek en te prompten dat ik overhoorvragen wilde over deze stof. Werkte perfect. Deep Research van ChatGPT, de nieuwe onderzoeksvariant, had ik nog nooit geprobeerd. Dit was een perfect moment. Uitgelezen, zogezegd.
Zogezegd, zogedaan. Eenvoudige prompt:
Geef een uitgebreide analyse van de historische context van het boek Nooit meer slapen van Hermans, dat verscheen in 1966. Spits dit toe op de thema’s van die tijd. Gebruik bij je analyse citaten en gebeurtenissen uit het boek. Gebruik citaten van Hermans uit interviews of bronnen waarin hij uitlegt wat hij wilde met het boek. Geef een overzicht van je gebruikte bronnen.
Het resultaat staat hieronder. Kostte maar elf minuten. Prima essay met bronvermeldingen. Tovenarij.
Het liet me vertwijfeld achter: wat is de toekomst van kennis als een kennisbot op bestelling je kennis genereert? Wat is de toekomst van een onderwijzer die geacht wordt je kennis bij te brengen als kennis als een kroket uit de muur getrokken kan worden? Wat is, überhaupt, de toekomst?
Als ouderwetse en zorgvuldige vader heb het resultaat niet met haar gedeeld.
Ze zoekt het maar lekker zelf uit.
Historische en culturele context van Nooit meer slapen (1966)
Inleiding
Willem Frederik Hermans’ roman Nooit meer slapen, verschenen in 1966, wordt algemeen beschouwd als een hoogtepunt van de naoorlogse Nederlandse literatuur. Het boek volgt de jonge geoloog Alfred Issendorf tijdens een wetenschappelijke expeditie in het desolate noorden van Noorwegen, waar hij tevergeefs bewijs tracht te vinden voor een meteorietinslag. Deze ogenschijnlijk eenvoudige plot ontvouwt zich tot een diepgaande ideeënroman waarin grote thema’s als existentiële twijfel, de grenzen van wetenschap en het streven naar erkenning centraal staan (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Hermans verpakt deze thema’s in een spannende reisroman, maar geeft tegelijkertijd scherp commentaar op de menselijke conditie en de tijdgeest van de jaren zestig. In deze analyse onderzoeken we hoe Nooit meer slapen geworteld is in zijn historische en culturele context. We belichten hoe Hermans’ thematiek – existentiële onzekerheid, wetenschapskritiek en ambitieuze zelfontplooiing – resoneert met de bredere ontwikkelingen in Nederland en Europa in de jaren 1960. Hierbij maken we gebruik van academische bronnen, literatuurstudies en interviews met Hermans zelf om te begrijpen wat Hermans met dit boek wilde bereiken en hoe het de geest van zijn tijd weerspiegelt.
Hermans, zelf behorend tot de “Grote Drie” van de naoorlogse Nederlandse literatuur, was in 1966 geen nieuwkomer: hij had al faam verworven met onder andere De donkere kamer van Damokles (1958). Bovendien was hij opgeleid als natuurwetenschapper (hij promoveerde in de fysische geografie) en werkzaam aan de Rijksuniversiteit Groningen (Nooit meer slapen | Literaire Canon) (Nooit meer slapen | Literaire Canon). Deze dubbele achtergrond als wetenschapper en schrijver vormt een unieke voedingsbodem voor Nooit meer slapen. In interviews benadrukte Hermans dat literatuur en wetenschap voor hem verwante middelen zijn om de chaos van de werkelijkheid te ordenen. Zo merkte hij op dat “roman schrijven wetenschap bedrijven is zonder bewijs” ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=taak%2C%20analoog%20aan%20de%20literatuur%2C,fiction)) – een uitspraak die direct de kern raakt van Alfreds verhaal, waarin wetenschappelijke bewijslast uitblijft en de protagonist uiteindelijk alleen een verhaal (een “rapport”) overhoudt. In wat volgt plaatsen we Hermans’ roman in de context van de turbulente jaren zestig en analyseren we de verwevenheid van de romanmotieven met de toenmalige filosofische, wetenschappelijke en sociale ontwikkelingen.
De jaren zestig: existentialisme, scepsis en verandering
Om Nooit meer slapen in context te begrijpen, moeten we oog hebben voor de ideologische en culturele stromingen van de jaren zestig in Nederland en Europa. De naoorlogse generatie schrijvers en denkers worstelde met een ontgoochelde wereld waarin traditionele zekerheden – religie, moraal, autoriteit – flink aan erosie onderhevig waren. Het existentialisme, populair sinds de late jaren ’40 en ’50, bleef in de jaren ’60 een belangrijke intellectuele stroming (Nooit meer slapen door Willem Frederik Hermans – Scholieren.com). Filosofen als Jean-Paul Sartre en Albert Camus stelden dat het leven geen vooraf gegeven zin heeft en dat de mens in een absurde, wezenlijk betekenisloze wereld is “geworpen”. Deze denkbeelden vonden weerklank in de Nederlandse literatuur: veel naoorlogse romans hebben een nihilistische of absurdistische inslag, waarin personages geconfronteerd worden met een chaotische werkelijkheid die niet rationeel te doorgronden is (5 De literatuur van 1955 tot 1965, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, Hugo Brems – DBNL) (5 De literatuur van 1955 tot 1965, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, Hugo Brems – DBNL). Hermans was hierin geen uitzondering – integendeel, hij verkondigde consequent een pessimistisch wereldbeeld waarin “niet de orde maar de chaos heerst” (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL). Zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog (hij verloor o.a. zijn zus in de oorlog) hadden bijgedragen aan een diepgeworteld wantrouwen jegens alle grote verhalen en idealen (Nooit meer slapen Willem Frederik Hermans – Literaire Canon).
Daarnaast was de jarenzestig-cultuur er een van snelle wetenschappelijke vooruitgang en toenemend vertrouwen in technologie, maar ook van groeiende kritiek daarop. Terwijl de wereld midden in de Koude Oorlog zat en de Space Race naar de maan de krantenkoppen haalde, ontstond ook besef van de schaduwzijden van ongebreidelde vooruitgang – denk aan de dreiging van nucleaire vernietiging en nieuwe vragen over ethiek in de wetenschap. In Nederland zelf moderniseerde de samenleving razendsnel: de wederopbouw was voltooid, de economie bloeide, en er kwam meer ruimte voor hoger onderwijs en onderzoek. Tegelijkertijd stak een kritische jongerenbeweging de kop op (Provo’s, studentenprotesten later in de jaren ’60) die autoriteiten ter discussie stelde. De gevestigde hiërarchieën in academische en maatschappelijke kringen begonnen te wankelen. Studenten en jonge onderzoekers eisten meer inspraak en lieten zich minder vanzelfsprekend ringeloren door hoogleraren met bijna feodale status.
Hermans, als universitair docent in die periode, stond bekend om zijn polemische houding tegenover autoriteiten en “zogenaamde zekerheden”. Zo schreef hij in het inleidende essay “Preambule” bij zijn bundel Paranoia (1953) al dat “er maar één werkelijk woord is: chaos” (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Dit motto – de fundamentele onkenbaarheid en wanorde van het bestaan – is als een rode draad door zijn oeuvre te voelen. In Nooit meer slapen botst dit wereldbeeld op de optimistische maakbaarheidsidealen van de jaren zestig. De roman verbeeldt een jonge wetenschapper die gelooft in rationaliteit en eigen kunnen, maar die tijdens zijn expeditie letterlijk en figuurlijk verdwaalt in een troosteloos moeras. Daarmee sluit Hermans aan bij het internationale literaire klimaat van zijn tijd: vergelijkbare thema’s van vergeefs zoeken en absurditeit zien we bijvoorbeeld bij Samuel Beckett en in het nouveau roman-realisme, terwijl de scepsis over wetenschappelijke en maatschappelijke “vooruitgang” parallellen heeft met de kritiek van intellectuelen als C. P. Snow (tweeculturen-debat) en Thomas Kuhn (wetenschappelijke revoluties).
In het bijzonder is ook de verwijzing naar Auschwitz in de roman tekenend voor de tijdgeest. De personages bespreken op een gegeven moment een boek getiteld Het gezicht van God na Auschwitz (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL) – een expliciete hint naar de naoorlogse worsteling met geloof en ethiek na de Holocaust. Midden jaren ’60 werd deze morele vraag – hoe te leven met de erfenis van Auschwitz – steeds prominenter; er waren processen tegen nazi-misdadigers (bijv. Eichmann in 1961) en theologen spraken over de “God is dood” problematiek. Hermans integreert deze kwestie subtiel in zijn verhaal: Alfred en zijn collega’s debatteren over Gods bestaan in een door wetenschap gedomineerde wereld, waarbij vooral de cynische Noor Qvigstad zijn intellectuele superioriteit toont in zulke discussies (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Dat zulke bespiegelingen terloops opduiken tijdens een expeditie, toont hoe Nooit meer slapen de leefwereld van de academische elite in de jaren ’60 weerspiegelt: jonge intellectuelen die, zelfs temidden van muggen en modder, twisten over Wittgenstein en metafysica. (Niet toevallig publiceerde Hermans in diezelfde periode essays over Wittgenstein (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL) (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL).)
Samengevat: de context van de jaren zestig – een mix van existentieel zoeken, optimisme over kennis, maar ook rebellie en twijfel – vormt het décor waarin Nooit meer slapen gelezen moet worden. Tegen dit decor zullen we nu de kernthema’s van de roman uitlichten en verbinden met de bredere ontwikkelingen van die tijd.
Existentiële twijfel en absurditeit
“Uiteindelijk blijkt de mens niet in staat om de wereld echt te kennen.” Deze conclusie, die Criticus Kees Fens trok uit Nooit meer slapen, vat het existentiële kerngevoel van de roman bondig samen (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Alfred Issendorf vertrekt vol hoop naar het onbekende Lapland, maar gaandeweg slaat de zekerheid over in twijfel en verwarring. Hermans confronteert zijn hoofdpersoon – en de lezer – met de nietigheid van de mens in een overweldigend universum. Dit sluit naadloos aan bij het existentialistische gedachtengoed dat in de jaren ’60 breed ingang had gevonden: de mens als eenzaam wezen, op zichzelf teruggeworpen in een wereld zonder vaste betekenis.
In de roman bereikt Alfreds existentiële crisis een hoogtepunt wanneer hij alleen de berg Vuorje beklimt. Bovenop deze Noord-Noorse berg wordt hij omringd door mist en ziet hij “niets” – letterlijk en figuurlijk staart hij in de leegte (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Fens roemde deze scène als “de meest frappante episode van de roman”, omdat Alfred hier ten volle beseft hoe klein en hulpeloos hij is (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Alfred raakt doordrongen van “de volstrekte nietigheid” van de mens en onze atmosfeer, die als een dunne, kwetsbare laag om de aarde hangt (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Volkomen geïsoleerd en onttrokken aan elke houvast van de beschaving, dringt de absurde conditie van zijn bestaan tot hem door. Hermans geeft deze beklemmende gewaarwording weer in Alfreds eigen woorden op de bergtop: “Wat zie ik? Niets. … overal afgronden om mij heen … Groot gevoel van voldoening zal dit mij geven, maar ik moet dan wel als geest een poosje verder bestaan om te constateren dat ze me niet kunnen vinden” (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Deze paradoxale gedachte – dat verdwijnen en zelfs sterven misschien een soort triomf zou zijn omdat het de zinloosheid bevestigt – is doortrokken van zwarte humor en existentiële wanhoop.
Critici hebben hierin een duidelijke filosofische boodschap gezien. Literatuurhistoricus Ton Anbeek stelt dat Alfred tijdens deze “bergrede” (zoals hij de monoloog op de mistige berg ironisch noemt) inziet dat zijn wetenschappelijke ambities slechts “kinderlijke wensdromen” waren (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Alfred ontwaakt als het ware uit de illusie dat zijn leven een hoger doel of lotsbestemming had. Hugo Brems formuleert het als het ontmaskeren van alle illusies waarmee de mens zich staande houdt – of het nu gaat om geloof in vrienden, familie, kunst of wetenschap (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Dit sluit aan bij Hermans’ bredere thematiek: de mens is “onmachtig en blind” en troost zich met zelfbedrog, totdat de werkelijkheid die illusies wreed verbrijzelt (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia).
De historische context versterkt de impact van deze thematiek. In de jaren zestig vond een culturele “ontwaking” plaats waarin autoriteiten en mythes werden bevraagd. Net zoals Alfred letterlijk niet meer kan slapen na zijn ontnuchtering, zo kenmerkten de jaren ’60 zich door een metaforisch ontwaken uit naïeve dromen. De roman zelf biedt verschillende interpretaties van de titel Nooit meer slapen, waarvan er meerdere samenhangen met existentiële twijfel. Eén interpretatie is dat Alfreds “droom” – zijn geloof in de wetenschappelijke missie – uiteen spat, en dat hij ontwaakt in de werkelijkheid van mislukking (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Kees Fens merkte op dat Alfreds uitputtende slapeloosheid hem paradoxaal genoeg steeds wakkerder maakt voor de waarheid: “de slopende tocht met zijn aanhoudende slapeloosheid [is] een geleidelijke ontwaking”, waardoor Alfred uiteindelijk “klaarwakker is op het ogenblik dat hij zijn voortdurende afhankelijkheid doorziet” (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Nooit meer slapen kan zo gelezen worden als een waarschuwing: laat geen geruststellende illusies toe die je de werkelijkheid doen vergeten – word wakker en aanvaard de absurde conditie van het bestaan (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia).
Deze boodschap resoneerde sterk in het Europa van de sixties. De existentialistische literatuur van Camus (Le Mythe de Sisyphe) en Sartre benadrukte dat de mens zijn eigen zin moet scheppen in een zinloos universum – of ten onder gaan aan de wanhoop. Hermans schetst Alfred op de rand van die wanhoop. Dat Alfred zelfs overweegt dat door een meteoriet geraakt worden nog te verkiezen is boven een alledaagse dood (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia) (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia), symboliseert dat een “zinvolle” of spectaculaire ondergang hem liever is dan een triviaal bestaan. Uiteindelijk kiest Alfred niet zelf voor de dood, maar het lot dient hem een wrange parallel toe: zijn vriend en tochtgenoot Arne verongelukt in de wildernis, net zoals Alfreds eigen vader ooit verongelukte op expeditie (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Arne’s levenloze gezicht is “onbegrijpelijk oud en moe… Dit is nooit meer slapen”, beseft Alfred bij het aanschouwen van het lijk (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia) (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). De dood wordt letterlijk gelijkgesteld aan de toestand van nooit meer slapen – een permanente, droomloze slaap. Zo verbindt Hermans existentiële overpeinzingen (leven en dood, illusie en ontwaken) direct aan concrete gebeurtenissen in het verhaal.
Hermans heeft zelf aangegeven dat hij bij het schrijven niet bewust een allegorie of symbolisch schema wilde construeren – “anders [zou het] geen roman worden maar een allegorie”, zei hij in een interview ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=ongevoelig%20is%20voor%20de%20metaforische,vrees%20voor%20de%20allegorie%20is)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=meer%20slapen%2C%20dat%20volgens%20haar,geen%20enkele%20vrijheid%20heeft%20en)). Hij wilde dat het verhaal op zichzelf stond, maar erkende tegelijk dat diepere betekenissen er “ingelezen” mogen worden door de oplettende lezer, net zoals natuurwetten in de natuur zelf verborgen liggen ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=meer%20slapen%2C%20dat%20volgens%20haar,geen%20enkele%20vrijheid%20heeft%20en)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=ik%20probeer%20dit%20eigenlijk%20te,vrees%20voor%20de%20allegorie%20is)). De existentiële dimensie van Nooit meer slapen is zo’n betekenislaag: Hermans legt nergens expliciet filosofische doctrines uit, maar via Alfreds ervaringen – de ontmoeting met de grootse onverschilligheid van de natuur, het verlies van zijn vriend, de confrontatie met zijn eigen mislukking – dringt een existentialistisch wereldbeeld door. Dit wereldbeeld sluit aan bij de bredere stemming van ontgoocheling in de jaren zestig. Waar elders jongeren misschien politiek in opstand kwamen of nieuwe spiritualiteiten zochten, kiest Hermans’ protagonist voor een eenzame, innerlijke worsteling met de zinloosheid. Alfred Issendorf staat daarmee model voor de moderne mens van de jaren ’60 die, losgezongen van traditie, zelf zin tracht te vinden in een wereld die slechts zwijgt. Uiteindelijk blijft slechts de confrontatie met het absurde over, iets wat Hermans in een ander verband eens kernachtig verwoordde: “De mens leeft in een wereld waarin iedereen iedereen voor de gek houdt… een wereld waar bijna niets met zekerheid bekend is” (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL).
De grenzen van wetenschap en rationaliteit
Niets is zo menselijk als de drang om te weten, maar Hermans toont in Nooit meer slapen hoe beperkt onze kennisdrang kan zijn. Alfreds expeditie is wetenschappelijk van opzet: hij gaat op pad om empirisch bewijs te verzamelen voor de theorie van zijn leermeester (namelijk dat bepaalde kraters in Noorwegen door meteorieten zijn veroorzaakt in plaats van door smeltend ijs) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). De roman begint dan ook als een soort Bildungsreise van een rationalistische geest: Alfred is ambitieus, gewapend met academische vorming, en gelooft in de methode van de wetenschap. Toch wordt al snel duidelijk dat Hermans deze geloofsartikelen van de moderne tijd kritisch onder de loep neemt. De te behalen kennis blijkt onzeker, de data onvindbaar of onbruikbaar, en de wetenschappers zelf allesbehalve onbevooroordeelde zoekers van waarheid.
Hermans houdt de lezer voor dat wetenschappers ook maar mensen zijn – met blinde vlekken, ego’s en irrationele trekjes. Professor Nummedal, de oude Noorse geoloog die Alfred in Oslo consulteert, blijkt bijvoorbeeld halfblind en verstrooid, en absoluut geen alwetende autoriteit. Zijn naam echoot zelfs “niemendal”, alsof hij wetenschappelijk niets voorstelt (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Nummedal laat Alfred aanvankelijk zelfs in het ongewisse over de cruciale luchtfoto’s die voor het onderzoek nodig zijn. Later ontdekt Alfred dat een ander (Nummedals assistent Mikkelsen) de foto’s heeft, maar tot frustratie van Alfred leveren ze geen enkel duidelijk bewijs voor de meteoriettheorie op (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Ook hier zien we Hermans’ ironische spel: de objectieve bewijsstukken waar de wetenschap op drijft, blijven buiten Alfreds bereik of stellen teleur.
Gaandeweg verlegt de roman de aandacht van het onderzoekobject naar de onderzoeker zelf. Alfred begint te twijfelen aan alles: aan zijn voorbereidingen, aan de hulpvaardigheid van zijn Noorse collega’s, zelfs aan de motieven van zijn eigen promotor in Amsterdam. Hij raakt overtuigd dat er misschien een complot tegen hem smeult – dat Nummedal en anderen hem op een dwaalspoor willen zetten om zelf de primeur van een ontdekking op te strijken (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Deze paranoia past goed bij Hermans’ wereldbeeld (vgl. de titel Paranoia van zijn verhalenbundel). In bredere zin weerspiegelt het ook een cultuur van toenemende scepsis: in de jaren zestig daalde het ontzag voor gevestigde instituties, ook de wetenschappelijke. Zeker na onthullingen in de oorlog (bv. dat geleerde wetenschappers aan massavernietiging hadden bijgedragen) en met de groeiende technologiekritiek, besefte men dat wetenschap niet waardenvrij of onfeilbaar was. Alfreds wantrouwen symboliseert deze omslag: hij ziet wetenschap niet langer als nobele, gezamenlijke zoektocht naar waarheid, maar als een slangenkuil van belangen en onzekerheden.
De onbetrouwbaarheid van instrumenten en data is een terugkerend motief dat de grenzen van de wetenschap illustreert. Alfred verliest bijvoorbeeld op een gegeven moment zijn kompas en zijn horloge gaat stuk (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Deze concrete voorvallen – geen tijdmeting, geen oriëntatie mogelijk – werken op symbolisch niveau door: de wetenschappelijke gereedschappen begeven het, waardoor Alfred letterlijk in het duister tast. Uiteindelijk speelt toeval een bepalende rol: terwijl Alfred met lege handen terugkeert, slaat ergens in Finnmarken een meteoriet in (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Deze gebeurtenis, waarvan Alfred slechts via via hoort, zet alles op losse schroeven. Ironisch genoeg valt het bewijs uit de hemel nadát het niet meer bruikbaar is; het is niet Alfreds rationele zoektocht die de natuur onthult, maar dom toeval dat de natuur haar geheimen prijsgeeft. Hiermee onderstreept Hermans een dieper punt: de werkelijkheid laat zich niet dwingen door menselijke plannen of methodes. Wetenschap kan nog zo gedegen zijn, het element van willekeur en onkenbaarheid blijft altijd aanwezig. Alfred verwoordt dit inzicht bitter als hij beseft dat veel onderzoek “volkomen tevergeefs” is en dat we “als blinden” rondtasten in een absurde wereld, waarin alleen toeval tot ontdekkingen leidt (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL).
Deze thematiek sluit opvallend goed aan bij filosofische discussies in de jaren zestig. In 1962 publiceerde Thomas Kuhn zijn invloedrijke idee dat wetenschappelijke vooruitgang niet lineair is, maar via revoluties en toevallige paradigmaverschuivingen verloopt – een concept dat het vertrouwen in gestage accumulatie van kennis aantastte. Hermans lijkt literair iets soortgelijks te betogen. Ook wijdde Hermans in de jaren ’60 essays aan de grens tussen wetenschap en filosofie. In een interview met filosoof Fons Elders sprak hij over Wittgensteins opvatting dat we niets zinnigs kunnen zeggen over de ultieme vragen van het leven ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=ten%20opzichte%20van%20de%20wetenschap,dan%20doet%20hij%20aan%20metafysica)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=analoog%20aan%20die%20van%20de,Probeert%20de%20mens)). “De wetenschap, of een strikt logische filosofie kan het wezen van de wereld nooit benaderen, want daarvoor zouden we buiten het heelal moeten treden,” aldus Hermans in dat gesprek ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=analoog%20aan%20die%20van%20de,Probeert%20de%20mens)). Met andere woorden: er zijn principiële grenzen aan wat wij kunnen kennen. Proberen we toch uitspraken te doen over het wezen van de werkelijkheid, “dan doet hij aan metafysica”, zegt Hermans – en metafysica, net als poëzie, heeft geen bewijs- of waarheidswaarde maar slechts een expressieve functie ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=logische%20filosofie%20kan%20het%20wezen,Hermans%20ziet%20voor%20de)). Deze sceptische kijk op ultieme kennis sijpelt duidelijk door in Nooit meer slapen. Alfreds hele expeditie zou je kunnen zien als een empirisch experiment dat strandt, om plaats te maken voor een metafysische les: de enige zekerheid is dat er geen absolute zekerheden zijn.
Een fascinerende dialoog in de roman betreft de vergelijking van de geoloog met een goudzoeker (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Professor Nummedal merkt ergens op: “De geoloog is gelijk aan de goudzoeker” (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Hiermee implicerend dat wetenschap soms niet meer is dan geluk zoeken – een erkenning van de rol van toeval en gelukstreffers. Dit soort reflecties plaatst Hermans bewust in zijn roman om de wetenschapskritiek te expliciteren. Ze sluiten ook aan bij Hermans’ eigen kritiek op de academische wereld. Nooit meer slapen was oorspronkelijk ontstaan uit het idee voor een “professorenboek” (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL), waarin Hermans de universitaire pretenties op de hak wilde nemen. In feite zou Hermans later, in 1975, Onder professoren publiceren – een satire op de kleinzieligheid en corruptie in academische kringen. Maar Nooit meer slapen vormt al een voorportaal van die kritiek. In de herziening van de roman in 1979 voegde Hermans zelfs een tirade toe over bedrog aan universiteiten (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL), om de boodschap nog verder aan te scherpen. De jaren zestig waren ook in Nederland het begin van een kritische herbezinning op het wetenschappelijk bedrijf: waren academici wel zo verheven als men dacht, of slechts mensen met eigenwaan? Alfreds ervaringen – van de hautaine Oslo-professor tot de rivaliteit met Mikkelsen en de nutteloze moeite die hij doet – ondermijnen het beeld van de heroïsche, rationele wetenschapper. In plaats daarvan zien we een kwetsbaar individu, teleurgesteld in zijn Quixotische zoektocht naar waarheid in de mistige wildernis.
Hermans vatte zijn schrijversvisie wel samen als het scheppen van een “romanorde” die de onderliggende chaos zichtbaar maakt (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Hij liet zijn personages optreden als personificaties van ideeën eerder dan als realistische individuen ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=wordt%20via%20Alfred%20slechts%20ge%C3%AFnformeerd,zelf%20in%20verband%20gebracht%20met)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=psychologische%20uitdieping%20gestreefd%2C%20maar%20bepaalde,Ga%20naar%20eindnoot)). In Alfred kunnen we zo de personificatie zien van de moderne, wetenschappelijke mens die met al zijn rede toch op de grenzen van het kennen stuit. De expeditie in Nooit meer slapen fungeert daarbij als een bijna allegorische tocht: een zoektocht naar het onbereikbare weten, temidden van dwaallichten en valkuilen die de natuur (of het lot) opwerpt. Tijdens een televisie-interview bevestigde Hermans overigens dat hij weliswaar niet bewust allegorieën schrijft, maar dat dergelijke resonanties onvermijdelijk in het verhaal aanwezig zijn ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=in%20een%20interview%20voor%20de,wat%20zijn%20wetten%20zijn%2C%20die)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=ongevoelig%20is%20voor%20de%20metaforische,vrees%20voor%20de%20allegorie%20is)). De berg, de moerassen, de meteoor – ze krijgen een betekenis die uitstijgt boven het louter feitelijke. Toch blijft de les terugkomen op nederigheid: waar Alfred zich met groot materieel en intellectueel voorbehoud op pad begaf om iets buiten zichzelf te ontdekken, vindt hij uiteindelijk vooral inzicht in zijn eigen beperkingen.
In de jaren zestig, een tijd die zowel gekenmerkt werd door geloof in vooruitgang als door een opkomende counterculture die dat geloof relativeerde, is Nooit meer slapen een stem van scepsis. Het boek herinnert eraan dat rationele vooruitgang geen garantie biedt op zingeving. Het sluit aan bij de stemming die later zou leiden tot bijv. de Club van Rome (begin jaren ’70) die grenzen aan de groei proclameerde – hier hebben we bij Hermans al de grenzen aan de wetenschap. Waar elders sciencefiction en optimistische toekomstbeelden floreerden, gaf Hermans in 1966 een bijna anti-sciencefiction: de held komt niet verder dan wat modder en muggen, en de enige buit is een handvol nutteloze steentjes.
Ambitie en het streven naar erkenning
Een derde centraal thema in Nooit meer slapen is menselijke ambitie – specifiek de drang van een jonge intellectueel om zich te bewijzen en erkenning te verwerven. Alfred Issendorf begint zijn reis met grootse aspiraties. Hij wil “een beroemd geleerde worden” (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) en hoopt met een spraakmakende dissertatie de wetenschappelijke wereld op zijn kop te zetten. Zijn persoonlijke motivatie is nauw verweven met zijn familiegeschiedenis: Alfreds vader was een getalenteerd bioloog wiens carrière tragisch “voortijdig afgesneden” werd door een dodelijk ongeluk tijdens een studiereis (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Nu probeert Alfred, aangespoord door zijn moeder, alsnog te bereiken wat zijn vader niet kon – als een postume genoegdoening. Hier zien we een generatiekloof gespiegeld: de naoorlogse zoon die in de voetsporen van de vooroorlogse vader wil treden, gedreven door plichtsgevoel en piëteit (Nooit meer slapen | Literaire Canon) (Nooit meer slapen | Literaire Canon). In de context van de jaren zestig is dit opmerkelijk, want terwijl Alfred nog gevangen zit in een ouderwets eerbied- en ambitiepatroon, was zijn eigen generatie juist bezig zich los te maken van de ouderlijke verwachtingen. Er zit iets anachronistisch in Alfreds eerzucht – bijna Victoriaans in zijn hang naar eer en status in de wetenschap – wat Hermans bewust heeft ingebracht om het tragikomische element te vergroten. Alfred is “te dorps voor zijn taak” en niet opgewassen tegen de uitdagingen die hij opzoekt, analyseerde schrijfster Hella Haasse spottend (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia) (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Zijn ambities overstijgen zijn werkelijke vermogens en inzicht; hij droomt groter dan hij kan waarmaken.
Het streven naar erkenning manifesteert zich in de roman op verschillende manieren. Ten eerste is er Alfreds afhankelijkheid van zijn promotor, professor Sibbelee. Alfreds identiteit als wetenschapper-in-opleiding is volledig vervlochten met de goedkeuring van Sibbelee. Zo schrijft hij op zijn reis een ansichtkaart aan zijn promotor, die hij eerst uitdagend wilde formuleren maar uiteindelijk “veel onderdaniger” opstelt (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL). Hier toont Hermans subtiel de hiërarchie van het academische milieu in die tijd: de student die zichzelf klein maakt tegenover de professor. Dit was typerend voor de jaren zestig net vóór de grote democratizeringsgolf; pas enkele jaren later, rond 1968-69, zouden studenten in opstand komen tegen zulke gezagsverhoudingen. Alfred echter vertegenwoordigt nog de oude cultuur van devotie en streven naar een goedkeurende klop op de schouder van de leermeester.
Ten tweede zien we het competitie-element: Alfred is niet de enige die op expeditie is. Hij ontmoet de Noor Arne, een vakgenoot van dezelfde leeftijd, en voelt zowel kameraadschap als rivaliteit. Ook hoort hij over anderen (Mikkelsen, Qvigstad) die in hetzelfde gebied onderzoek doen. Alfred’s streven naar erkenning krijgt hierdoor een nerveuze ondertoon – de angst om niet de eerste of niet de beste te zijn. Zijn vermoeden dat de Noren misschien achter zijn rug om de resultaten willen claimen, verraadt hoezeer zijn zelfbeeld op het spel staat. In Alfreds wantrouwen naar Mikkelsen (die de foto’s heeft) en zelfs Arne, herkennen we een onzekerheid: zullen zij slagen waar hij faalt, en zo de glorie opstrijken? Dit paranoia-achtige gedrag benadrukt de schaduwzijde van ambitie: het kan iemand isoleren en vervreemden van potentiële bondgenoten. Alfreds vriendschap met Arne, die in wezen oprecht is, lijdt onder deze drang naar eigen succes. Uiteindelijk gaan Alfred en Arne zelfs uiteen door een meningsverschil over de route (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) – een symbolische breuk die voorafschaduwt dat ieder zijn eigen lot tegemoet gaat (met Arnes dodelijke val als triest einde).
In de culturele context van de jaren zestig tekent zich hier een breder patroon af. Dit was de periode waarin steeds meer jongeren hoger onderwijs gingen volgen en wetenschappelijke carrières ambieerden, zeker in een welvarender land als Nederland. De universiteiten groeiden explosief en daarmee ook de concurrentie om academische erkenning. Ambitie werd haast vanzelfsprekend aangewakkerd: de welvaartsstaat bood kansen om jezelf te ontplooien, een promotie te behalen, naam te maken. Alfred is een kind van die meritocratische belofte. Maar Hermans – die zelf de universitaire wereld van binnenuit kende – toont hoe kwetsbaar zo’n ambitieus zelfbeeld is. Eén tegenslag of toevallige pech kan het hele kaartenhuis doen instorten. In Nooit meer slapen leidt de opeenstapeling van pech (gebrekkige gegevens, ongelukken, misverstanden) ertoe dat Alfreds promotiedroom in duigen valt. De laatste pagina van de roman toont Alfred thuis, met lege handen behalve een curiosum: zijn moeder geeft hem manchetknopen waarin twee halve meteorietjes zijn gevat, bedoeld als cadeau “bij gelegenheid van zijn promotie” (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Dit geschenk – de tastbare erkenning waar hij zo naar hunkerde – is nu een wrange herinnering aan zijn mislukking. Alfred zit “hier, in elke hand een manchetknoop, aan elke knoop een halve meteoriet. Samen een hele. Maar geen enkel bewijs voor de hypothese die ik bewijzen moest” (Nooit meer slapen | Literaire Canon) (Nooit meer slapen | Literaire Canon). Deze slotzin (een citaat uit de roman) is veelzeggend: Alfred hééft feitelijk gevonden wat hij zocht – een meteoriet, zij het in twee stukken – maar het levert hem geen enkele erkenning op, want het is wetenschappelijk waardeloos zonder context of bewijs. Zijn streven naar roem eindigt letterlijk als een gespleten steen in de hand.
We kunnen dit lezen als Hermans’ kritiek op het ijdele streven naar status. Alfreds hele identiteitscrisis komt voort uit het feit dat hij zijn eigenwaarde koppelde aan academisch succes. Wanneer dat uitblijft, moet hij zichzelf opnieuw definiëren. Het open einde van de roman laat in het midden hoe Alfred verder zal gaan, maar een hint wordt gegeven: wellicht zal hij terugkeren naar zijn “grote liefde, de kunst (muziek)”, speculeert de literaire canonwebsite (Nooit meer slapen | Literaire Canon) (Nooit meer slapen | Literaire Canon). Inderdaad speelt Alfred dwarsfluit en was zijn moeder literair criticus; er is een artistieke inslag in zijn achtergrond. Het zou passen in Hermans’ visie dat iemand zich na desillusie in wetenschap tot de kunst wendt – als een andere vorm van zingeving of expressie. Deze overgang zou ook symbool kunnen staan voor de jaren zestig generatiewissel: weg van het keurige carrièredispuut, op naar de meer bohemienne zelfexpressie die de late jaren ’60 kenmerkte.
Interessant is dat Hermans zelf in 1973 de wetenschap verliet om zich volledig op het schrijverschap toe te leggen (Nooit meer slapen | Literaire Canon) (Nooit meer slapen | Literaire Canon). Hij had ervaren hoe zijn literaire activiteiten hem op de universiteit werden kwalijk genomen. In zekere zin belichaamt Hermans’ eigen loopbaan de spanning tussen wetenschappelijke status en artistieke roeping. Nooit meer slapen kan deels gelezen worden als zijn commentaar op dat dilemma. Alfreds falen in de wetenschap betekent misschien niet het einde, maar een verandering van koers – een bevrijding van de dwang tot erkenning door anderen. Deze idee van “zelfbevrijding” door mislukking sluit aan bij Kees Fens’ interpretatie dat Alfreds tocht een proces van zelfinzicht en loskomen van afhankelijkheid is (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia) (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia). Pas wanneer Alfred faalt, wordt hij vrij om zichzelf niet langer te definiëren via de ogen van professoren of een vaderfiguur.
In de bredere Europese context zijn hier parallellen te trekken met de culturele revoluties van de jaren ’60: men raakte teleurgesteld in traditionele loopbanen en rollen, en zocht naar authentieker manieren van leven. Denk aan de slogan “laat je niet regeren” van de Mei ’68-protesten – een afrekening met autoriteit en extern opgelegde ambities. Alfreds reis eindigt dan wel zonder glorie, maar wellicht met de kiem van persoonlijke autonomie.
Conclusie
Nooit meer slapen is meer dan een avonturenroman over een mislukte wetenschappelijke expeditie – het is een ideeënroman die diep geworteld is in de historische en culturele context van de jaren zestig. Willem Frederik Hermans verweeft thema’s van existentiële twijfel, kritische reflectie op wetenschap en de tragiek van ambitie op zo’n manier dat zij zowel het individuele verhaal van Alfred Issendorf dragen alsook een beeld schetsen van de Zeitgeist. In een decennium vol veranderingen en contestatie biedt de roman een scherpzinnige, zij het pessimistische, commentary op de menselijke conditie. Hermans toont een wereld waarin oude zekerheden verdampen: de kerk heeft na Auschwitz minder te zeggen, de wetenschap is geen onfeilbaar kompas, en persoonlijke ambities kunnen gemakkelijk in desillusie omslaan. Tegelijkertijd legt hij de vinger op het universele aspect van deze jarenzestig-kwesties: de mens blijft zoekende, zichzelf voor de gek houdende en lerende van zijn fouten, ongeacht de tijd.
Hermans verklaarde eens dat zijn romans personages tonen die eerder personificaties van ideeën zijn ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=wordt%20via%20Alfred%20slechts%20ge%C3%AFnformeerd,zelf%20in%20verband%20gebracht%20met)). In Nooit meer slapen herkennen we personificaties van de twijfelende zoeker, de grenzeloze skepticus, en de ambitieuze idealist. Deze figuren plaatst hij in een “romanorde” – een kunstig geconstrueerd verhaal – om de lezer te confronteren met de onderliggende chaos van het bestaan (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Het resultaat werd al kort na verschijnen als een meesterwerk onthaald. Enkele maanden na publicatie in 1966 won Hermans er de Vijverbergprijs mee (hoewel hij die weigerde in ontvangst te nemen) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL). Critici prezen hoe Nooit meer slapen een spannend reisverslag wist te combineren met filosofische diepgang; Jan Fontijn noemde het “een sterk allegorische en filosofische roman” ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=Nooit%20meer%20slapen%20van%20Hermans%2C,zeer%20wezenlijke%20preoccupatie%20met%20de)), terwijl Paul de Wispelaere het innovatieve vertelperspectief (Ik-vorm in het praesens) analyseerde als onderdeel van de dubbelstructuur van de roman ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=Paul%20de%20Wispelaere%20heeft%20er,Ga%20naar)).
Wanneer we Nooit meer slapen nu, zoveel decennia later, lezen in historisch perspectief, zien we hoe het boek zowel een product van zijn tijd als een tijdloos verhaal is. De verwijzingen naar de jaren zestig (van Wittgenstein tot middernachtzon, van Auschwitz tot de Koude Oorlog-angst voor de meteoriet uit de lucht) geven het een duidelijke plaats in de culturele geschiedenis. Maar de vragen die Hermans stelt – Wat is de zin van ons streven? Hoe zeker is onze kennis? Hoe gaan we om met een onverschillige wereld? – blijven ook buiten die context relevant. Dat de roman nog steeds tot de canon behoort en jongere generaties blijft aanspreken, komt voort uit die universele kern. Toch wint onze appreciatie aan diepte door het boek in context te plaatsen. We zien scherper hoe Hermans dialoog voerde met het existentialisme van Sartre, met de wetenschapsscepsis van zijn tijd, en met de opkomende rebelse toon van een nieuwe generatie.
Hermans zelf zei over het schrijven van romans dat de auteur de chaos ordent tot een nieuwe schepping, maar zonder de waarheid geweld aan te doen ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=taak%2C%20analoog%20aan%20de%20literatuur%2C,fiction)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=romanschrijver%20er%20op%20uit%20de,fiction)). Nooit meer slapen ordent de chaotische jaren zestig-ervaring tot een roman die ons een spiegel voorhoudt: enerzijds die van een ambitieuze jongeman alleen in de wildernis, anderzijds die van een hele samenleving op de drempel van een nieuw tijdperk, zoekend naar houvast. In beide spiegels zien we dezelfde onzekerheid weerspiegeld. Hermans’ analyse van die onzekerheid – tegelijk meedogenloos en mededogend – maakt Nooit meer slapen tot een blijvend indrukwekkende roman die de geest van de jaren zestig begrijpt én overstijgt.
Bronnenoverzicht
- August Hans den Boef, “Willem Frederik Hermans – Nooit meer slapen”, in Lexicon van literaire werken (1990) (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL) (Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen, Lexicon van literaire werken, Ton Anbeek, Jaap Goedegebuure en Bart Vervaeck – DBNL).
- Anton Claessens, “W.F. Hermans: Nooit meer slapen”, in Ons Erfdeel, Jaargang 11 (1968) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL).
- J. Fontijn, “Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde”, in Tirade 14(153) (1970) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=Nooit%20meer%20slapen%20van%20Hermans%2C,zeer%20wezenlijke%20preoccupatie%20met%20de)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=ongevoelig%20is%20voor%20de%20metaforische,vrees%20voor%20de%20allegorie%20is)).
- Kees Fens, recensie Nooit meer slapen, 1966 – geciteerd in Wikipedia (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia) (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia).
- Ton Anbeek, literatuurhistorische analyse in Nederlandse literatuur 1945-1985 – geciteerd in Wikipedia (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia).
- Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005 (2006) – fragment over Hermans’ visie (5 De literatuur van 1955 tot 1965, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, Hugo Brems – DBNL) (5 De literatuur van 1955 tot 1965, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005, Hugo Brems – DBNL).
- Interview Hermans-Elders (1967) – geciteerd bij Fontijn ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=analoog%20aan%20die%20van%20de,Alleen%20die)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=behoren%20tot%20het%20terrein%20van,mededelingen%20zou%20beperken%20is%20moeilijk)).
- Interview Hermans-Burnier (1966) – geciteerd bij Fontijn ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=meer%20slapen%2C%20dat%20volgens%20haar,geen%20enkele%20vrijheid%20heeft%20en)) ([Nooit meer slapen of naar het middelpunt der aarde
J. Fontijn, Tirade. Jaargang 14 (nrs. 153-162) – DBNL](https://www.dbnl.org/tekst/_tir001197001_01/_tir001197001_01_0063.php#:~:text=wordt%20via%20Alfred%20slechts%20ge%C3%AFnformeerd,zelf%20in%20verband%20gebracht%20met)).
- Nooit meer slapen – primaire tekst, citaten uit de roman zelf (W.F. Hermans: ‘Nooit meer slapen’., Ons Erfdeel. Jaargang 11 – DBNL) (Nooit meer slapen | Literaire Canon).
- Literaire Canon (2015), Nooit meer slapen analyse (Nooit meer slapen | Literaire Canon) (Nooit meer slapen | Literaire Canon).
- Ronald Havenaar, “W.F. Hermans over de Nederlandse zeden” (Tirade 396, 2002) – anekdote over Alfred in Spanje (Ronald Havenaar W.F. Hermans over de Nederlandse zeden · Uitgeverij Van Oorschot) (Ronald Havenaar W.F. Hermans over de Nederlandse zeden · Uitgeverij Van Oorschot).
- Wikipedia, Nooit meer slapen (roman) – titelverklaring en thematiek (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia) (Nooit meer slapen (roman) – Wikipedia).
