Amsterdam
april 26, 2026
11 11 11 AM

Een moord in Eindhoven, met AI ontrafeld (I)

Wat kan ChatGPT betekenen voor de verdediging in een moordzaak?

Het was een kort, heftig bericht:

‘s-Hertogenbosch, 12 december 2025

Een 20-jarige man is door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar voor een dodelijke wraakactie na een verkeersruzie in Eindhoven. Hij maakte zich ook schuldig aan vuurwapenbezit, een poging tot woningoverval in Uden en een poging tot afpersing in Antwerpen. Twee medeverdachten (20 en 24 jaar) krijgen voor hun aandeel in deze delicten celstraffen van acht en zes jaar. Een vierde verdachte wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij de moord. Hij krijgt wel zes jaar cel voor wapenbezit en het plegen van de pogingen tot woningoverval en afpersing.

De hoofdverdachte en een medeverdachte raakten in juni 2024 betrokken bij een verkeersruzie met twee andere mannen. Na een incident bij een verkeerslicht, stopten de auto’s en sloeg een van de mannen (het latere slachtoffer) de hoofdverdachte met een glazen voorwerp in zijn gezicht. De verdachten gingen vervolgens samen met de twee medeverdachten op zoek naar de man die de klap had uitgedeeld. Na ongeveer een kwartier zagen zij de man in Woensel. De auto werd gekeerd en drie verdachten stapten uit. Kort hierna schoot de hoofdverdachte de man met een vuurwapen door zijn hoofd.

Als mens kan ik me opwinden over het kwaad in de mens. Als professionele (ex)strafrechtadvocaat ben ik vooral geïnteresseerd de waarheidsvinding, de reconstructie van oorzaak en gevolg, de kettingreactie die uiteindelijk geleid heeft tot een zinloze dood na een zinloze verkeersruzie, de toepassing van het recht op een casus. Ik kan naar een moord kijken zoals een oncoloog naar een tumor kijkt, of een goudvis naar zijn eigenaar: in verwondering, koudbloedig, door een glazen bol afgescheiden van de werkelijkheid der dingen.

Als cyberlawyer ben ik vooral geïnteresseeerd of en hoe ik AI als scalpel kan inzetten om dit soort operaties uit te voeren. Ik ben een fan van Sherlock Holmes, ik heb hem ooit wel eens geciteerd in pleidooi, “How often have I said to you that when you have eliminated the impossible, whatever remains, however improbable, must be the truth?” en ik ben er van overtuigd dat goed ingezette AI de mens kan helpen om het onmogelijke te elimineren en het waarschijnlijke te vinden.

Deze zaak leek me perfect geschikt voor een onderzoek naar de toepassing van AI in strafrechtelijke analyses. Niet, zeg ik nadrukkelijk, omdat ik zou twijfelen aan de toedracht of aan het rechterlijk oordeelsvermogen. Wel omdat het gehele feitenrelaas en de bewijsredenering uitstekend in het vonnis is verwoord (Rechtbank Oost-Brabant 12 december 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:8150). Grondig werk van deze kamer en deze griffier (niet te vergeten).

Feiten zoals blijkend uit de uitspraak

Dit is het feitenrelaas uit het vonnis.

Op zondag 23 juni 2024 hadden [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] het plan een horloge te gaan stelen van de eigenaar van een telefoonwinkel in de Kruisstraat in Eindhoven. De afspraak was dat [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de telefoonwinkel zouden wachten totdat de winkel zou gaan sluiten en de man daar weg zou gaan. Zij zouden op dat moment [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bellen om te laten weten dat de man onderweg was naar huis. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zouden de man dan, allebei gewapend met een vuurwapen, opwachten bij zijn huis in Woensel. [medeverdachte 3] had voor dit doel een vuurwapen gekregen van [verdachte] . Iets voor 19:00 uur kwamen [verdachte] en [medeverdachte 1] bij de telefoonwinkel aan en zagen dat de winkel al was gesloten. Zij hebben daarna met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] contact gelegd en doorgegeven dat het plan om deze reden niet door kon gaan.

Vervolgens heeft er omstreeks 19:00 uur een verkeersruzie plaatsgevonden tussen enerzijds [verdachte] en [medeverdachte 1] (zij reden in een Ford Fiësta) en anderzijds [slachtoffer 8] en het latere slachtoffer [slachtoffer 7] (zij reden in een goudkleurige Rover). Na een incident bij een verkeerslicht, zijn de auto’s uiteindelijk gestopt, waarna [slachtoffer 7] met een glazen voorwerp tegen het gezicht van [verdachte] heeft geslagen. [verdachte] heeft om 19:04 uur met zijn telefoon een foto gemaakt waarop te zien is dat er bloed zit onder zijn rechter en linker mondhoek.

Na de ruzie is er contact geweest tussen [medeverdachte 1] enerzijds en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] anderzijds. Vrij snel daarna zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gelijktijdig dan wel kort na elkaar ook de auto ingestapt. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 3] had op dat moment een vuurwapen op zak. [medeverdachte 1] was de bestuurder van de auto, [verdachte] de bijrijder, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zaten achterin de auto.

Nadat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de auto in zijn gestapt zagen zij dat [verdachte] bloed op zijn gezicht had. [medeverdachte 1] vertelde tegen [medeverdachte 3] dat hij en [verdachte] ruzie hadden gehad met twee mannen. [verdachte] zei kort na het instappen tegen [medeverdachte 3] dat hij zijn vuurwapen terug wilde. [medeverdachte 3] heeft het wapen aan [verdachte] overhandigd en vervolgens heeft [verdachte] het wapen doorgeladen.

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] heeft gezien dat het wapen in de auto aan [verdachte] werd overhandigd. Verder kan niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben gezien of gehoord dat het wapen toen door [verdachte] is doorgeladen. Evenmin kan door de rechtbank worden vastgesteld dat [verdachte] heeft gezegd dat hij het leven zou gaan neuken van het slachtoffer, zoals [medeverdachte 3] heeft verklaard. De verklaring van [medeverdachte 3] vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel.

Vervolgens zijn de verdachten op zoek gegaan naar de persoon door wie [verdachte] was geslagen. Zij reden gezamenlijk in de Ford Fiësta eerst naar de Albert Heijn XL in Woensel. Daarna zijn zij naar het Henri Dunantpark gereden. De zoektocht heeft ongeveer een kwartier geduurd. Op het moment dat [medeverdachte 1] en [verdachte] het slachtoffer zagen heeft [medeverdachte 1] de auto gekeerd en is naar hem toegereden en heeft de Ford Fiësta op enkele meters afstand geparkeerd. Vervolgens zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] uit de auto gestapt. Binnen enkele seconden schiet [verdachte] het slachtoffer [slachtoffer 7] op korte afstand door zijn hoofd. [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] rennen terug naar de door [medeverdachte 1] bestuurde auto, stappen in en vluchten weg. Een agent in burger die getuige is geweest van het schietincident zet de achtervolging in met zijn eigen auto. [medeverdachte 1] parkeert de Ford vervolgens op een parkeerplaats, waarna de verdachten te voet verder vluchten.

[medeverdachte 2] heeft tijdens zijn vlucht een revolver achtergelaten op een dak van een schuur. Deze revolver is later – op zijn aanwijzing – gevonden door de politie. Het vuurwapen waarmee [verdachte] heeft geschoten is niet terug gevonden. Het slachtoffer van de schietpartij is diezelfde dag in het ziekenhuis komen te overlijden door de schotverwonding in zijn hoofd.

De rechtbank stelt vast dat het voor alle vier de verdachten duidelijk was dat zij het slachtoffer aan het zoeken waren om met hem een gewelddadige confrontatie aan te gaan. Dit volgt uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Weliswaar ontkent [medeverdachte 2] dit alles gehoord te hebben, maar hij heeft wel erkend dat hij “het gevoel” had dat er iets aan de hand was. Op het moment dat [medeverdachte 1] en [verdachte] het latere slachtoffer herkenden zijn verdachten direct naar het slachtoffer toegegaan.

De betrokkenheid van [verdachte]. Kwalificatie: moord of doodslag?

Opzet: De gedragingen van [verdachte] , inhoudende dat hij eerst het vuurwapen heeft doorgeladen, vervolgens heeft gezocht naar het slachtoffer en – nadat hij het slachtoffer heeft gevonden – uit de auto is gestapt en van dichtbij gericht op het hoofd van het slachtoffer [slachtoffer 7] heeft geschoten, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan dan dat het opzet van verdachte daarop gericht was. De rechtbank acht daarom “vol” opzet bewezen. Dat het vuurwapen defect zou zijn en vanzelf zou zijn afgegaan, zoals door [verdachte] wordt gesuggereerd, blijkt niet uit het dossier en acht de rechtbank niet passen bij de hierboven beschreven feitelijke gedragingen van verdachte.

Voorbedachte raad: De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [verdachte] met voorbedachten rade heeft gehandeld. Met andere woorden: is er sprake van moord of van doodslag? De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van “voorbedachte raad” moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op zijn te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De volgende feiten en omstandigheden die door de rechtbank als vaststaand zijn aangemerkt, zijn naar haar oordeel doorslaggevend voor het oordeel dat sprake is van voorbedachte raad en dus moord.

Omstreeks 19:40 uur kwam bij de politie de melding binnen dat er enkele minuten daarvoor een schietpartij gaande was op de Rode Kruislaan te Eindhoven. De verkeersruzie waarbij [verdachte] gewond is geraakt had in ieder geval vóór 19:04 uur plaatsgevonden, zo blijkt uit de foto van het letsel uit de telefoon van [verdachte] . Korte tijd hierna zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ingestapt waarna [verdachte] het wapen heeft teruggevraagd en doorgeladen. Vervolgens zijn zij op zoek gegaan naar het slachtoffer. Deze zoektocht heeft ongeveer een kwartier geduurd, zo heeft [medeverdachte 1] verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat [verdachte] enige tijd heeft gehad om zich te beraden en na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Tussen de verkeersruzie en het doodschieten van het slachtoffer zit ruim een half uur en de vier verdachten hebben minimaal vijftien minuten naar het slachtoffer gezocht. De rechtbank neemt het moment waarop [verdachte] het vuurwapen op zijn verzoek weer in handen krijgt en het doorlaadt als het moment waarop bij hem het voornemen is ontstaan om het slachtoffer dood te schieten. Het doorladen van een vuurwapen is alleen nodig om vervolgens een kogel af te kunnen vuren. Dat het ook op het moment van doorladen al de bedoeling van [verdachte] was om het slachtoffer dodelijk te treffen, maakt de rechtbank op uit de wijze waarop vervolgens door hem is gehandeld. Nadat de verdachten het slachtoffer hadden gevonden, is [verdachte] direct uitgestapt en heeft hij binnen enkele seconden – zonder dat er een gesprek heeft plaatsgevonden of enige dreiging van het slachtoffer uitging – van een zeer korte afstand het slachtoffer gericht in zijn hoofd geschoten.

Met de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat van contra-indicaties niet is gebleken. Er is geen sprake van de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvonden, er was niet slechts een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering, en evenmin ontstond de gelegenheid tot beraad pas tijdens de uitvoering van het besluit.

Het OVC gesprek in de PI Zeist van 1 september 2024 past bij de feitelijke vaststellingen van de rechtbank waaruit blijkt dat [verdachte] met voorbedachten rade heeft gehandeld. Uit dit gesprek blijkt namelijk dat [verdachte] zich vernederd voelde en wraak wilde nemen omdat het slachtoffer hem geslagen, bespuugd en uitgelachen had. Zo zegt hij: “Hij had zo’n fles whisky in zijn hand. Hij (ntv). Hij slaat mij. Ik zal op de grond, hij slaat mij. Hij spuugt op mijn (ntv). Vijftien (15) minuten geleden.. na vijftien (15) minuten, na die ruzie, ik kom hem weer tegen. Hij lachte mij uit.”

“Hij heeft me geslagen. Hij heeft op me gespuugd. Alles. (ntv) Als hij me niet had geslagen, had ik het niet gedaan, snap je? Je snapt wat ik bedoel, hij spuugt op mij. Oude man, jij bent een sukkel als je mij gaat slaan, geef ik ook een (ntv) Hij had meteen (ntv) geslagen, ik zat onder het bloed. En hij spuugt op mij. Hij spuugt dan is (ntv) Dat (ntv) echt niet. Maar hij moet gewoon lachen. (ntv) Lachen lachen (ntv). Anders ehh.. is niks aan de hand..”

Geen medeplegen: Met de officieren van justitie en de raadslieden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezenverklaard dat sprake is geweest van medeplegen. Om deze reden zal [verdachte] van dit bestanddeel worden vrijgesproken.

Deze verdachte is bovendien forensisch onderzocht.

Uit voornoemd onderzoek blijkt het volgende: “ [verdachte] is een op dit moment negentienjarige jongeman van Afghaanse afkomst bij wie sprake is van persoonlijkheidsproblematiek. Op gedragsniveau zien onderzoekers antisociale en narcistische kenmerken. Vanwege het ontbreken van zicht op [verdachte] binnenwereld konden onderzoekers geen persoonlijkheidsstoornis vaststellen. Tevens is er sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis, tenminste licht van ernst.

(..) Er is bij [verdachte] geen sprake van forensisch relevante cognitieve beperkingen en ook bestaat de indruk dat hij voldoende in staat is om overzicht te houden over situaties. Wel is het voorstelbaar dat de antisociale cognities van [verdachte] geen rem hebben gevormd op het uitvoeren van de tenlastegelegde feiten, indien bewezen. [verdachte] is echter voldoende op de hoogte van wat er wel en niet mag. (…)

Ondanks het feit dat [verdachte] heeft verklaard inzake het hem tenlastegelegde (mede)plegen van moord c.q. doodslag, wijkt deze verklaring op cruciale punten af van de andere verklaringen in het proces verbaal. Het is dan ook niet duidelijk hoe de verklaringen van [verdachte] gewogen moeten worden. Het lukt onderzoekers dan ook niet om tot een eenduidig delict scenario te komen. Bijkomend is er, zoals reeds eerder gesteld, onvoldoende zicht verkregen op de belevingswereld van [verdachte] en de invloed die [verdachte] persoonlijkheidskenmerken ten tijde van het ten laste gelegde hebben gehad. Het is denkbaar dat [verdachte] verhoogde krenkbaarheid een rol gespeeld heeft en dat zijn regulerende vermogens in een situatie met krenking onder druk hebben gestaan. Het is echter ook mogelijk dat er sprake is geweest van een instrumentele en doordachte actie, al dan niet binnen de context van een crimineel milieu. Daardoor is zowel een scenario met enige doorwerking van psychopathologie als een scenario zonder doorwerking mogelijk. Indien het (mede)plegen van moord c.q. doodslag bewezen wordt verklaard, kunnen onderzoekers geen eenduidig antwoord formuleren ten aanzien van de doorwerking en de mate van toerekenen. Wel kan ook in dit geval gesteld worden dat de antisociale cognities van [verdachte] in elk geval geen rem hebben gevormd op de omstandigheden.

Gedurende het onderzoek werden geen indicaties gevonden om het minderjarigenstrafrecht toe te passen. [verdachte] is niet verstandelijk beperkt of verhoogd beïnvloedbaar, hij functioneert sociaal-emotioneel en qua adaptieve vaardigheden conform de kalenderleeftijd en houdt zich goed staande in de groep en neemt zelfs een leidersrol aan. Er zijn geen aanknopingspunten voor behandeling binnen de pedagogische setting. Ook de ASR wegingslijst biedt geen indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht.

(…) Ten aanzien van het (mede)plegen van moord c.q. doodslag kunnen onderzoekers geen eenduidig antwoord formuleren ten aanzien van de doorwerking en de mate van toerekenen, temeer omdat er onvoldoende zicht is gekomen op de belevingswereld van [verdachte] en bijhorende drijfveren. Er kunnen derhalve ook geen uitspraken worden gedaan over het risico op recidive. Het is derhalve ook niet passend advies te geven over gedragskundige interventies om dit risico te verlagen.”

Wat denkt ChatGPT 5.2. hiervan?

Ik voerde het feitenrelaas in chatgpt 5.2 in. Dit was het antwoord:

Hier is een juridische duiding van het fragment dat je hebt gedeeld (feit 1), met nadruk op de twee kernpunten die je tekst zelf al aanraakt: (i) moord vs. doodslag (voorbedachte raad) en (ii) medeplegen. Ik baseer me uitsluitend op dit fragment; het volledige dossier kan het beeld kantelen.

1) Feitelijke kapstok (tijdlijn en “beslismomenten”)

  • Vóór 19:00: plan tot gewapende beroving horloge; twee personen zouden bij woning opwachten; beide gewapend; één vuurwapen eerder door verdachte aan medeverdachte 3 verstrekt.
  • ± 19:00 – 19:04: verkeersruzie; verdachte wordt in het gezicht geraakt; om 19:04 maakt hij letselfoto.
  • Kort daarna: medeverdachten 2 en 3 stappen in; verdachte vraagt zijn vuurwapen terug; wapen wordt overhandigd; verdachte laadt door.
  • Daarna: zoektocht naar slachtoffer (AH XL → Henri Dunantpark), ± 15 minuten.
  • ± 19:40 melding schietpartij: auto keert, stopt op enkele meters; verdachte stapt uit en schiet slachtoffer van zeer korte afstand in het hoofd; direct wegvluchten.

Juridisch relevant: de rechtbank markeert het doorladen als indicatief “ontstaansmoment” van het dodelijk voornemen (en als scharnier voor voorbedachte raad).

2) Opzet: “vol” opzet ligt in dit fragment stevig verankerd

De rechtbank leidt (ten minste) opzet op de dood af uit gedragingen en omstandigheden: doorladen, actief zoeken, uitstappen en gericht op het hoofd schieten van dichtbij. Dat past bij de standaardlijn dat zulk handelen naar uiterlijke verschijningsvorm moeilijk anders kan betekenen dan opzet op dodelijk gevolg.

Wil je dit als verdediging aanvallen, dan zit de zwakte niet zozeer in “opzet” maar eerder in voorbedachte raad (moord/doodslag). Het alternatieve scenario (“wapen defect, ging vanzelf af”) wordt hier bovendien als feitelijk onvoldoende onderbouwd weggezet.

3) Voorbedachte raad: waarom de rechtbank hier “moord” ziet

De rechtbank gebruikt het klassieke toetsingskader: gelegenheid tot beraad + weging van indicaties en contra-indicaties. Dat kader is in lijn met de Hoge Raad (o.a. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, voortbouwend op HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342). (Rechtspraak)

Indicaties die de rechtbank doorslaggevend vindt:

  • Tijd: > 30 minuten tussen ruzie en schieten; minimaal 15 minuten actieve zoektocht.
  • Handelingen die voorbereiding suggereren: vuurwapen terugvragen en doorladen (functioneel gericht op kunnen vuren).
  • Uitvoering zonder externe prikkel op het moment zelf: na vinden slachtoffer direct uitstappen en binnen seconden schieten, zonder gesprek en zonder dreiging van slachtoffer (volgens vaststellingen).
  • OVC-gesprek PI Zeist (1 sept 2024) als steunbewijs voor wraakmotief en “niet-ogenblikkelijke” besluitvorming.

Contra-indicaties die de rechtbank expliciet afwijst/afwezig acht (klassieke driehoek): plotselinge hevige drift, slechts korte tijdspanne, of pas tijdens uitvoering ontstane beraadruimte. Dit is precies het soort contra-indicaties dat de HR-rechtspraak en lagere rechtspraak doorgaans benoemen. (ECLI:NL:HR:2013:963)

Waar zit het juridische aanvalsoppervlak (als je dit wilt problematiseren)?

Zonder het dossier te kennen, zijn dit de meest “logische” breekpunten:

  1. Het gekozen ontstaansmoment van het voornemen (“bij doorladen”)
  • De rechtbank neemt aan dat het besluit tot doden ontstaat bij het terugkrijgen en doorladen van het wapen.
  • Verdedigingslijn zou zijn: doorladen kan ook passen bij “dreigen”, “veiligstellen”, “angst”, “escalatie voorkomen door superioriteit” of “voorbereiding op confrontatie” zonder reeds te hebben besloten te doden.
  • Dan verschuift het besluitmoment naar het moment van herkennen/benaderen, wat de voorbedachte-raad-constructie kwetsbaarder maakt (maar niet per se fataal).
  1. Emotionele voortduring (“heftige drift”) ondanks tijdsverloop
  • Tijd alleen is niet beslissend; het gaat om daadwerkelijke gelegenheid tot kalm beraad, en de HR benadrukt dat contra-indicaties zwaarder kunnen wegen. (ECLI:NL:HR:2013:963) en 01-strafrecht-advocaat.nl/voorbedachte raad.
  • Je fragment bevat sterke emotiecomponenten (vernedering, wraak, “geslagen/bespuugd/uitgelachen”). Dat kan — afhankelijk van verdere feiten — alsnog worden geduid als één doorlopende gemoedsbeweging.
  1. “Actief zoeken” vs. “toevallig weer tegenkomen”
  • De rechtbank stelt zoeken (kwartier). In het OVC-citaat klinkt “ik kom hem weer tegen” (meer toevallig). Dat spanningsveld kan je (mits je dossiersteun hebt) uitnutten om het beeld van doelgericht “jagen” te relativeren.

Mijn inschatting op basis van alleen dit fragment: de motivering voor voorbedachte raad is klassiek en dossier-compatibel (tijd + zoeken + doorladen + onmiddellijke executie), dus in appel is het niet eenvoudig, maar het blijft het meest kansrijke discussiepunt vergeleken met “opzet”.

4) Geen medeplegen: waarom dat juridisch goed verdedigbaar is

De rechtbank spreekt vrij van “medeplegen” (dus: bewezenverklaring als pleger, niet als medepleger). Dat past bij het HR-overzichtsarrest medeplegen: er moet een nauwe en bewuste samenwerking zijn én een bijdrage van voldoende gewicht, waarbij de rechter concreet motiveert waarom de rol van de ander méér is dan medeplichtigheid/aanwezigheid. (Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474)

In jouw fragment zitten juist feiten die het medeplegen compliceren:

  • Onzekerheid over wat medeverdachte 2 heeft gezien/gehoord rondom het terugkrijgen en doorladen van het wapen.
  • Geen vaststelling dat verdachte expliciet een dodelijk voornemen uitspreekt (“ik ga zijn leven neuken” wordt niet bewezen geacht).
  • De feitelijke uitvoeringshandeling (schot) is solistisch, en er is geen beschreven gezamenlijke uitvoering of aansturing op het moment suprême.

Praktisch betekent dit: voor de “anderen” ligt sneller medeplichtigheid of wapenbezit/voorhanden hebben (WWM) in beeld dan medeplegen van moord, maar dat hangt af van de tenlastelegging en de rest van het bewijs.

5) Wat ChatGPT 5.2 adviseerde voor dit dossier (checklist voor jouw vervolgstap)

Als je met dit fragment een proceskans (appel/verweer) wilt wegen, zijn dit de eerste dossierpunten die het verschil maken:

  • Objectieve data: ANPR/camerabeelden/telefoonlocaties die zoekgedrag bevestigen of juist relativeren.
  • Exacte verklaringen over besluitvorming in de auto: wie zei wat, wanneer, hoe eenduidig en door wie bevestigd.
  • Eventuele aanwijzingen voor directe dreiging bij het uitstappen (ook al zegt de rechtbank “geen dreiging”; klopt dat met getuigen/forensisch?).
  • Forensische details: schietafstand, schiethouding, eventuele haperingen; alles wat “executie” versus “impuls” kan kleuren.
  • Volledige OVC-context (niet alleen de citaten): toon, tijdlijn, consistentie met overige bewijsmiddelen.

Als je aangeeft wat je doel is (bijvoorbeeld: “appelgronden tegen voorbedachte raad” of “kwalificatie medeplegen voor medeverdachten” of “prompt voor een legal chatbot”), kan ik dit omzetten naar een strak juridisch betoog of een processtrategie-memo.

Wat voegt het Pro Justitia rapport toe volgens ChatGPT 5.2.?

Na bovenstaande analyse plakte ik de tekst over het forensisch onderzoek in ChatGPT. Antwoord:

Hieronder verwerk ik de persoonlijke omstandigheden en het Pro Justitia-rapport (Teylingereind, 2 juni 2025) in de eerdere analyse. Ik zet het uiteen langs de juridische “knoppen” waar dit materiaal in de praktijk vooral effect heeft: (1) toerekenbaarheid/strafsbaarheid, (2) kwalificatie moord vs. doodslag, (3) medeplegen, en (4) straftoemeting/maatregelen.

1) Persoonlijke omstandigheden: wat staat er nu extra “vast” en waarom is dat relevant?

Justitiële documentatie

  • Niet eerder veroordeeld; wel twee strafbeschikkingen. Dit werkt doorgaans in de straftoemeting in het voordeel van verdachte (geen veroordelingenreeks), maar “blanco” is het niet.

Pro Justitia (Teylingereind) – kernbevindingen

  • Verdachte is 19 jaar, Afghaanse afkomst (op zichzelf juridisch niet dragend, hoogstens context).
  • Persoonlijkheidsproblematiek met antisociale en narcistische kenmerken; géén vastgestelde persoonlijkheidsstoornis door onvoldoende zicht op binnenwereld.
  • Stoornis in cannabisgebruik, minimaal licht.
  • Geen forensisch relevante cognitieve beperkingen; hij kan overzicht houden.
  • Geen indicaties voor toepassing (adolescenten-/)jeugdstrafrecht; hij functioneert sociaal-emotioneel conform kalenderleeftijd en heeft geen pedagogische behandelindicatie.
  • Voor de (andere) feiten met planmatig/instrumenteel karakter (als bewezen): advies volledig toerekenen (geen verminderde keuzevrijheid).
  • Voor moord/doodslag: géén eenduidig delictscenario; zowel “psychopathologie met doorwerking” als “instrumenteel/doordacht” blijft mogelijk; dus geen helder advies over mate van toerekenen, recidiverisico of interventies.

2) Moord vs. doodslag: effect van het Pro Justitia-rapport op “voorbedachte raad”

De rechtbank hanteert het bekende toetsingskader: gelegenheid tot beraad + weging indicaties/contra-indicaties (waarbij contra-indicaties zwaarder kunnen wegen). (Rechtspraak)

Wat het Pro Justitia-rapport toevoegt als mogelijke contra-indicatie (verdedigingsrichting)

  • De onderzoekers achten het denkbaar dat verhoogde krenkbaarheid en regulatie onder druk in een krenkingssituatie een rol hebben gespeeld. Dat kan worden gepositioneerd als steun voor een scenario waarin de besluitvorming minder “kalm beraad” was, maar een doorlopende escalatie na vernedering (met name relevant tegen voorbedachte raad).

Maar: waarom dit in jouw fragment de “moord”-redenering niet vanzelf onderuit haalt

  • De onderzoekers zeggen óók expliciet dat een instrumentele en doordachte actie (al dan niet in criminele context) eveneens mogelijk is, en dat zij geen eenduidige weging kunnen geven voor het levensdelict.
  • Daarmee is het rapport in bewijsrechtelijke zin eerder ambivalent: het levert geen stevige basis voor “verminderde toerekening” of een duidelijke psychische contra-indicatie tegen voorbedachte raad. Het biedt vooral argumentatieruimte, geen hard anker.

Praktische conclusie

  • In appel/pleidooi kan dit rapport bruikbaar zijn om de contra-indicaties tegen voorbedachte raad serieuzer te laten wegen, maar je zult het moeten koppelen aan concrete feiten uit het dossier (gedragingen, verklaringen, tijdlijn, escalatie-momenten). Alleen “denkbaar dat krenkbaarheid…” is meestal te dun om de objectieve indicaties (tijd, zoeken, doorladen, executie-achtig schieten) te neutraliseren.

3) Medeplegen: beperkte relevantie van dit nieuwe materiaal

De Pro Justitia-informatie ziet vooral op de persoon van verdachte en (on)mogelijkheden van duiding; voor medeplegen blijft het juridische zwaartepunt liggen bij de vraag naar nauwe en bewuste samenwerking en een bijdrage van voldoende gewicht. (Rechtspraak) Het rapport verandert in beginsel niets aan:

  • wat de anderen wisten,
  • wat er is afgesproken,
  • wie welke bijdrage leverde vóór/tijdens/na het schot.

De rechtbankmotiveer-lijn “geen medeplegen” (zoals jij hem citeert) blijft dus primair een bewijs- en deelnemingsvraag, niet een persoonlijkheidsvraag.

4) Straftoemeting en maatregelen: hier is de impact het grootst

Mitigerend potentieel

  • Leeftijd (19) en geen eerdere veroordelingen kunnen in het algemeen strafmatigend werken, zeker als de rechtbank ook ontwikkeling/jeugdige context relevant acht.

Beperkende factoren op strafmatigend effect

  • Het rapport geeft geen steun voor verminderde toerekenbaarheid bij de gewelds-/vermogensfeiten en is bij het levensdelict niet eenduidig. In de praktijk betekent dit vaak: weinig tot geen ruimte voor substantiële strafkorting op basis van verminderd verwijt, omdat de gedragskundige onderbouwing daarvoor ontbreekt.

Maatregelen / behandeling

  • Geen indicatie jeugdstrafrecht; geen duidelijke behandelroute; geen recidiverisico-inschatting mogelijk. Dat maakt het voor de rechter lastiger om (bijvoorbeeld) een behandelgericht kader zwaar te laten meewegen, en stuurt eerder richting een “klassieke” hoofdstraf (gevangenisstraf) zonder sterk gedragskundig maatwerk.

5) Hoe beide procesposities dit materiaal typisch zullen gebruiken

OM (ondersteunend aan moord/strafeis)

  • “Planmatig/instrumenteel” wordt door deskundigen bij andere feiten benoemd; antisociale cognities vormden geen rem; verdachte weet wat mag/niet mag; geen cognitieve beperkingen; geen jeugdstrafrechtindicatie.

Verdediging (ondersteunend aan doodslag en/of lagere straf)

  • Rapport is niet eenduidig over delictscenario en doorwerking bij het levensdelict; denkbaar dat krenkbaarheid/regulatie onder druk de escalatie heeft gekleurd; beperkte zichtbaarheid binnenwereld → voorzichtigheid met harde conclusies over ‘kalm beraad’.

Als je wilt, kan ik dit vertalen naar:

  • een compacte set appel-/pleitpunten specifiek tegen voorbedachte raad (met “bewijsankers” die je dan uit het dossier moet halen), óf
  • een straftoemetingsparagraaf (mitigatie/maatregelen) die inhoudelijk consistent is met precies deze Pro Justitia-bevindingen.

Hoe kan dit onderzoek volgens ChatGPT een pleidooi tegen moord ondersteunen?

Ik vroeg specifiek vanuit het standpunt van een strafrechtadvocaat naar de meerwaarde van het pro-justitia-rapport voor het pleidooi, het “juridisch aanvalsoppervlak” zoals ChatGPT 5.2. het graag noemde. Antwoord:

Het Pro Justitia-onderzoek kan je “juridisch aanvalsoppervlak” vooral vergroten door het niet als strafmaatbijlage te behandelen, maar als bewijs- en duidingsinstrument dat (i) het door de rechtbank gekozen beslismoment en (ii) het beeld van kalm beraad kan problematiseren. De sleutel is: maak het rapport procesrechtelijk relevant voor de bewezenverklaring (met name voorbedachte raad), niet alleen voor de straf.

Hier zijn de meest bruikbare routes.

1) Voorbedachte raad: bouw een serieuze contra-indicatie (“krenking → ontregeling → geen kalm beraad”)

De HR-lijn is dat tijd voor beraad een belangrijke aanwijzing is, maar dat contra-indicaties zwaarder kunnen wegen; het gaat om waardering van het concrete geval. Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963.

Het Pro Justitia-rapport levert hiervoor munitie, omdat het expliciet opent dat:

  • verhoogde krenkbaarheid een rol kan hebben gespeeld; en
  • regulerende vermogens onder druk kunnen staan in een krenkingssituatie,

waardoor je kunt betogen dat het tijdsverloop (30+ minuten, 15 minuten zoeken) niet automatisch gelijkstaat aan “kalm beraad”, maar ook kan passen bij een doorlopende affectieve escalatie.

Procesmatig werkt dit pas echt als je het koppelt aan dossierfeiten (gedrag direct na de verkeersruzie, emotionele staat, chaotische handelingen, eventuele impulsieve uitlatingen, etc.). Het rapport is dan de wetenschappelijke plausibiliteitsbrug.

2) Aanval op het “ontstaansmoment” van het moordvoornemen (doorladen = besluit tot doden?)

In je fragment kiest de rechtbank: doorladen = moment waarop het voornemen ontstaat. Het Pro Justitia-rapport helpt om die stap als niet-dwingend neer te zetten:

  • Onderzoekers kunnen geen eenduidig delictscenario duiden (onvoldoende zicht op belevingswereld; meerdere scenario’s mogelijk).
  • Dat ondersteunt een verweer dat de rechtbank een interpretatieve sprong maakt: doorladen kan ook passen bij “confrontatie aangaan / dreigen / zich veilig voelen” zonder dat al vaststaat dat het besluit tot doden op dat moment is genomen.

Dit is geen vrijspraakknop, maar wel een manier om twijfel te creëren over het precieze mentale proces dat moord onderscheidt van doodslag.

3) “Instrumenteel/planmatig” versus “wraak/vernedering”: forceer keuze en benut de onzekerheid

Het rapport zet twee concurrerende frames neer:

  • krenking + ontregeling (psychopathologie kan doorwerken), óf
  • instrumenteel en doordacht (mogelijk criminele context).

Dat is processtrategisch bruikbaar: je kunt betogen dat, als zelfs gedragsdeskundigen geen eenduidige duiding kunnen geven, de rechter terughoudend moet zijn met stellige conclusies over “kalm beraad” en “doordachte executie”, zeker als die conclusies grotendeels uit gedragingen worden afgeleid.

Let op: dit werkt alleen als je de rechter een concreet alternatief narratief geeft dat óók goed aansluit op de objectieve tijdlijn.

4) Kruisverhoor van deskundigen: laat ze het “geen antwoord kunnen geven” juridisch relevant maken

Je vergroot het aanvalsoppervlak door het rapport niet te citeren, maar door deskundigen te laten bevestigen wat het rapport impliciet zegt:

  • Dat krenking/emotieregulatie reëel kan doorwerken in handelen.
  • Dat “meerdere overwegingsmomenten” niet per se “reflectie op gevolgen” betekent (juridische maatstaf ≠ psychologisch “momenten”).
  • Dat zij geen toerekeningsadvies kunnen geven bij het levensdelict door gebrek aan scenario/inkijk — en dus dat hun bevindingen niet zonder meer steun geven aan een kwalificatie “kalm beraad”.

Zo maak je van de onzekerheid een contra-indicatie-generator in de zin van de HR-maatstaf. (Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963)

5) Subsidiair: toerekening en strafmaat (ook als moord blijft staan)

Hoewel het rapport geen helder “verminderd toerekenen” adviseert bij het levensdelict, kan het wél:

  • de deur openen naar nuancering van verwijtbaarheid (krenkbaarheid/ontregeling als strafmatigende omstandigheid), en
  • een pleidooi ondersteunen dat gedragskundige zekerheid ontbreekt over recidiverisico en interventies (dus voorzichtigheid met vergaande maatregelredeneringen).

De functie van Pro Justitia bij toerekenen is juist dat het de rechter helpt bij de juridische toerekening, maar de rechter is niet “gebonden” en moet de brug naar de juridische criteria expliciteren. (Richtlijnendatabase)

6) Jongvolwassenenroute: adolescentenstrafrecht (art. 77c Sr) als extra, maar lastig pad

Omdat verdachte 19 is, kun je art. 77c Sr (toepassing jeugdstrafrecht bij 18–23) altijd agenderen. (InView) Maar: jouw rapport zegt expliciet “geen indicaties”. Dat maakt deze route bewijs-technisch moeilijk; het kan wél als “vangnet” dienen als je elders concrete ontwikkelingsargumenten hebt (school/werk, afhankelijkheden, sociaal-emotionele rijping), maar het rapport zelf helpt je hier eerder níét.

7) Belangrijke waarschuwing: dit rapport is een tweesnijdend zwaard

Hetzelfde rapport bevat ook belastende aanknopingspunten die het OM graag benut:

  • antisociale/narcistische kenmerken;
  • “antisociale cognities vormden geen rem”;
  • leidersrol in de groep;
  • geen cognitieve beperkingen (overzicht kunnen houden).

Daarom is de beste inzet vaak selectief en gefocust: gebruik het rapport primair voor (a) contra-indicaties voorbedachte raad en (b) twijfel over het beslismoment, en wees terughoudend met brede “stoornis-verweren” die het OM uitnodigen om het instrumentele frame uit te vergroten.

Als je wilt, kan ik dit omzetten in een compacte processtrategie in 6–8 punten (met voorbeeldvragen voor deskundigen) die expliciet mikt op doodslag i.p.v. moord binnen het HR-kader.

Enkele tussenconclusies over het gebruik van ChatGPT

  • Ik zeg het steeds opnieuw, zeker als AI mooie resultaten op het scherm toont: voer als jurist geen persoonsgevoelige gegevens aan AI. Zodra de gegevens jouw computer verlaten, heb je geen zicht meer wat er mee gebeurt. Worden ze versleuteld, zo ja, goed genoeg? Kunnen ze onderschept worden door een Russische hackersgroep? Kan Trump de gegevens opvragen als ze op een Amerikaanse server komen? Is jouw wachtwoord wel voldoende beveiligd en kan iemand jouw wachtwoord hacken? Hoe lang blijven deze gegevens op een server in het buitenland bewaard? Voor een advocaat is vertrouwelijkheid een erecode en die erecode zou ik nooit schenden.
  • Deze publieke generieke AI chatgpt 5.2. haalt in de gegenereerde tekst drie (kloppende) bronnen aan. Het is niet heel diepgaand, maar het zijn geen hallucinaties. Toen ik in de bronnenlijst keek, zag ik dat er 47 bronnen geraadpleegd waren, veelal overlappend, waarop de tekst was gebaseerd:
Artikelcontent
(een deel van de lijst)
  • Ik raadpleegde het 2013:963-arrest. “Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.” Aandachtspunt is wel dat er in die zaak maar 50 seconden voorafging aan de (poging tot) moord, en in deze zaak een half uur. Hoe lang kun je kwaad zijn en ben je niet in staat tot ‘kalm beraad en rustig overleg’? Maar goed, als advocaat zoek je steeds de grenzen op en de redenering van de Hoge Raad geeft geen harde grens. Ook al is het niet meer ‘ogenblikkelijk’, voorbedachte raad is een stap verder.
  • Een advocaat kan misschien zeggen: ik lees hier open deuren – maar bedenk daarbij dat dit wordt gegenereerd door een AI-software-robot die geen kennis heeft van het Nederlands recht, niets weet van moord of doodslag en nooit heeft gepleit. Zo beschouwd is het best indrukwekkend wat AI genereert en hoeveel beter dit al is dan de resultaten in 2022, toen consumenten zich voor het eerst op ChatGPT konden abonneren. Of vorig jaar, met ChatGPT 4o.

Strafmaatadvies

Is de straf in deze zaak hoger, lager, of gemiddeld? ChatGPT reageerde:

Kort oordeel: een gevangenisstraf van 18 jaar voor de schutter bij een bewezenverklaarde moord is in Nederland eerder aan de hoge kant, zeker vergeleken met het gemiddelde in “kale” moordzaken, maar niet uitzonderlijk in zaken met een (vuurwapen)executie-achtige uitvoering en/of bijkomende ernstige feiten.

Waarom “hoger dan gemiddeld”?

  • Het WODC-onderzoek naar moord/doodslag laat zien dat in de periode na het HR-arrest van 28 februari 2012 de gemiddelde opgelegde gevangenisstraf in moordzaken zonder andere bijkomende delicten rond 14,4 jaar lag. Een straf van 18 jaar ligt daar 3,6 jaar (circa 25%) boven. (WODC-onderzoek)
  • In jouw zaak gaat het bovendien niet om “kale” moord: de Rechtspraak-berichtgeving noemt naast de moord ook vuurwapenbezit en meerdere gewelds-/vermogensfeiten. Dat duwt in de praktijk de straf omhoog, waardoor vergelijken met “kale” gemiddelden eigenlijk al snel appels-peren wordt. ((nieuwsbericht over deze zaak op rechtspraak.nl))

Waarom toch “in lijn met vergelijkbare moordzaken”?

En dan “vergelijkbare dader” (jong, beperkt strafblad)?

  • Dat de dader jong is en niet eerder is veroordeeld kan mitigeren, maar het is bij moord géén “harde rem”: er zijn voorbeelden waarin ook bij jonge verdachten zeer hoge tijdelijke straffen worden opgelegd. (InView Rb. Amsterdam, 21-12-2023, nr. 13.095506.22)
  • In jouw concrete casus lijkt de combinatie van voorbedachte raad, gericht schot door het hoofd van korte afstand, en bijkomende zware feiten de strafhoogte te trekken, ondanks het beperkte strafblad. (nieuwsbericht over deze zaak op rechtspraak.nl)

‘Conclusie in één zin’ door ChatGPT5.2.

18 jaar is in statistische zin hoger dan gemiddeld voor moord (zeker t.o.v. “kale” moordzaken), maar inhoudelijk past het binnen de bandbreedte die rechters regelmatig hanteren voor vuurwapenmoord met voorbedachte raad en bijkomende ernstfactoren. (WODC-onderzoek)

Hoe doet ChatGPT5.2. het in deze zaak?

Ik ben als strafrechtjurist vooral geïnteresseerd hoe goed AI kan analyseren en mogelijkheden kan uitsluiten of nieuwe kan aangeven – zodat alleen het waarschijnlijke overblijft.

  1. Deze analyse is voor AI makkelijker omdat de rechtbank al de relevante feiten heeft geordend. Hapklaar brok. Mogelijk verslikt AI zich in een compleet strafdossier.
  2. Ik heb nu alleen maar wat algemene vragen voorgelegd. Ik heb (voor een eerdere versie van ChatGPT) een uitgebreide prompt van 3 A4-tjes gemaakt die stapsgewijs volgens een methode van de CIA (bewijsmatrix van Richard Heuer) systematisch hypothesen en bewijsmateriaal uiteenrafelt. Het is razend interessant om uit te zoeken of die veel betere resultaten geeft dan de korte vragen die ik nu aan ChatGPT5.2. heb voorgelegd.
  3. Wat biedt een legal chatbot meer dan deze publieke generieke chatbot? Veiligheid, zou ik zeggen, en meer diepgaande jurisprudentie. Je moet uitzoeken hoeveel beter een legal chatbot is dan het AI-model waar het op is gebaseeerd.

Wordt vervolgd.

One thought on “Een moord in Eindhoven, met AI ontrafeld (I)

Comments are closed.