Marco Borsato is vrijgesproken. Ik ben geen fan van Borsato, doe mij maar Shaffy, Vermeulen, Brel, De Dijk, ik ben wel fan van strafrecht en van legal tech. Ik componeerde snel met Claude Opus/Perplexity een juridische vergelijkingsprompt. Die zet ik hier onderaan.
Ik liet de uitspraak met die prompt analyseren door Andri AI, door Saga en door Lexboost. Ik heb de drie chatbots elkaar over en weer elkaar laten controleren. Ze haalden alle drie verschillende uitspraken aan maar kwamen tot hetzelfde oordeel. Uiteindelijk is dit een gecombineerde analyse van drie legal chatbots onafhankelijk van elkaar gebaseerd op 33 unieke uitspraken.
Het oordeel van ANDRI
Sectie A – Analyse onderhavige uitspraak
1. Tenlastelegging en delictsomschrijving
Delictsbepaling: Artikel 247 Sr:
“Artikel 247 1. Als schuldig aan aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie, degene die met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren seksuele handelingen verricht.”
Kern tenlastelegging (uit case summary):
- Periode: september 2014 tot en met 15 januari 2015
- Leeftijd aangeefster: 15 jaar (minderjarig, binnen 12-16 jaar categorie)
- Gestelde handelingen:
- Aanrakingen onder kleding: borsten, tepels, vagina en schaamlippen
- Aanrakingen boven kleding: benen en billen
- Verhouding: niet-familiaire vertrouwensrelatie (verdachte fungeerde als “vaderfiguur”)
2. Bewijskader en bewijsredenering
Wettelijk kader:
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door den inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.”
“Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.”
Bewijsmiddelen geanalyseerd door rechtbank:
| Bewijsmiddel | Waardering rechtbank |
| Verklaring aangeefster | Niet als onbetrouwbaar aangemerkt |
| Tas-op-tafel-gesprek (4 juli 2019) | Geen ondubbelzinnige bekentenis |
| Telefoongesprek (4 december 2019) | Onvoldoende steunbewijs |
| WhatsApp-gesprekken | Onvoldoende steunbewijs |
| Dagboek aangeefster | Uit dezelfde bron als aangeefster |
| Waargenomen emoties | Onvoldoende steunbewijs |
| Auditu-verklaringen | Uit dezelfde bron |
De rechtbank past de vaste HR-lijn toe dat verklaringen uit dezelfde bron niet als onderscheiden bewijsgronden kunnen gelden:
“Twee getuigenverklaringen uit dezelfde bron resulteren niet in twee te onderscheiden bewijsgronden die als uitvloeisel van de ‘unus-testis’-regel minimaal zijn vereist ter onderbouwing van de bewezenverklaring als geheel. De strekking van artikel 342, tweede lid, Sv noopt dus tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron. Voorts gaat het niet slechts – kwantitatief – om het aantal bronnen van redengevende bewijsgronden, maar ook om de vraag of de aangifte in voldoende mate – kwalitatief – wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal”
3. Juridische duiding ‘ontucht’
De rechtbank oordeelt dat aanrakingen van benen en billen boven de kleding niet als ontuchtig kwalificeren. Dit sluit aan bij de vaste jurisprudentie over het begrip “ontuchtige handelingen”:
“De verklaring van [betrokkene 1] wordt in zoverre ondersteund door ander bewijs dat getuigen verklaren dat i) de verdachte [betrokkene 1] geregeld naar bed bracht, ii) [betrokkene 1] tijdens het logeren met de verdachte in één bed sliep en iii) de verdachte en [betrokkene 1] samen onder een plaid op de bank videogames speelden. Deze verklaringen zien weliswaar op de context waarbinnen de seksuele handelingen volgens [betrokkene 1] zouden hebben plaatsgehad, maar bieden onvoldoende concrete steun voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Ook de emoties van [betrokkene 1] die zijn moeder heeft waargenomen toen [betrokkene 1] haar over het misbruik vertelde, bieden deze steun niet. Zij onderstrepen wel de geloofwaardigheid van [betrokkene 1], maar zij houden als steunbewijs voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen onvoldoende verband met die handelingen als zodanig.”
4. Conclusie rechtbank
Redengevende overwegingen voor vrijspraak:
- Bewijsminimum niet bereikt: Voor de aanrakingen onder de kleding (borsten, tepels, vagina, schaamlippen) ontbreekt voldoende steunbewijs uit een onafhankelijke bron
- Kwalificatie resterende handelingen: Aanrakingen boven kleding (benen, billen) kwalificeren niet als ontuchtig
- Dagboek: Uit dezelfde bron als aangeefster
- Gesprekken: Geen ondubbelzinnige bekentenis
Sectie B – Vergelijking met vrijspraken
| ECLI | Instantie/jaar | Korte omschrijving bewijsproblematiek | Belangrijkste reden(en) vrijspraak | Vergelijkbaarheid |
| ECLI:NL:HR:2018:717 | HR 2018 | Verklaring minderjarig slachtoffer, auditu-verklaringen moeder, emoties bij onthulling, context-verklaringen getuigen | “Deze verklaringen zien weliswaar op de context waarbinnen de seksuele handelingen volgens [betrokkene 1] zouden hebben plaatsgehad, maar bieden onvoldoende concrete steun voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Ook de emoties van [betrokkene 1] die zijn moeder heeft waargenomen toen [betrokkene 1] haar over het misbruik vertelde, bieden deze steun niet. Zij onderstrepen wel de geloofwaardigheid van [betrokkene 1], maar zij houden als steunbewijs voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen onvoldoende verband met die handelingen als zodanig. Voorts kan hetgeen de moeder van [betrokkene 1] heeft verklaard over hetgeen deze haar heeft verteld over het tenlastegelegde niet het vereiste steunbewijs opleveren, omdat de bron van haar verklaringen dezelfde is als de verklaringen die ondersteuning behoeven, namelijk [betrokkene 1] zelf.” | Hoog – Identieke problematiek: emoties en auditu ondersteunen betrouwbaarheid maar vormen geen zelfstandig steunbewijs |
| ECLI:NL:GHSHE:2021:424 | GHSHE 2021 | Verklaring aangeefster verkrachting, auditu-verklaringen, medisch onderzoek, WhatsApp-berichten | “Het hof stelt voorop dat op grond van de bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering – die geldt voor de gehele tenlastelegging/ bewezenverklaring en niet voor een onderdeel daarvan – het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan dit bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Twee getuigenverklaringen uit dezelfde bron resulteren niet in twee te onderscheiden bewijsgronden. De strekking van artikel 342, tweede lid, Sv noopt dus tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron.” | Hoog – Principieel identieke bewijsrechtelijke problematiek |
| ECLI:NL:GHARL:2025:4683 | GHARL 2025 | Verklaring nichtje + overbuurmeisje, auditu-verklaringen familieleden, emoties, dagboek, schoolapp, traumatherapie-bevindingen | “Het hof stelt voorop dat de verklaringen van familieleden en/of vriendinnen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], voor zover zij een hervertelling inhouden van wat zij van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben gehoord, niet als steunbewijs kan dienen, nu die verklaringen in zoverre afkomstig zijn uit dezelfde bron. Bovendien betreft het verklaringen die achteraf in te passen zijn in hetgeen door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is verklaard. Een concrete waarneming van emoties of afwijkend gedrag ten tijde van of meteen na het overschrijdend gedrag, door bijvoorbeeld een juf, leraar of buurvrouw, ontbreekt evenwel. Ook de bevindingen van een orthopedagoog en een traumatherapeut met betrekking tot [benadeelde partij 1] ziet het hof niet zonder meer als onafhankelijke bronnen, nu voor een traumabehandeling in beginsel wordt uitgegaan van hetgeen door een cliënt/patiënt achteraf over zijn/haar beleving wordt verteld.” | Zeer hoog – Dagboek, emoties, auditu-verklaringen en therapie-bevindingen verworpen als steunbewijs; exact vergelijkbaar patroon |
| ECLI:NL:HR:2024:643 | HR 2024 | Verklaring slachtoffer verkrachting, emoties waargenomen door getuigen, informatief gesprek | “Het hof heeft naast de verklaringen van [slachtoffer] voor het bewijs gebruikt (i) de verklaring van de getuige [betrokkene 1] dat [slachtoffer] hem in paniek vertelde dat de verdachte handelingen had uitgevoerd die zij niet wilde, en (ii) de verklaring van de getuige [betrokkene 2] dat [slachtoffer] hem vertelde dat de verdachte met zijn penis bij haar naar binnen was gegaan… Het hof is echter niet nader ingegaan op de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen wat de verdachte en de raadsvrouw op de terechtzitting in hoger beroep hebben aangevoerd als mogelijke oorzaak voor het ‘plotselinge vertrek’ van [slachtoffer] en de bij haar waargenomen emoties, is het kennelijke oordeel van het hof dat met de onder 2.2.2 weergegeven bewijsvoering aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, niet zonder meer begrijpelijk.” | Hoog – HR casseert wegens onvoldoende motivering bewijsminimum bij emoties als steunbewijs |
| ECLI:NL:GHAMS:2023:1582 | GHAMS 2023 | Verklaring slachtoffer ontucht, dagboekaantekeningen | “Zedenzaken worden vaak gekenmerkt door het gegeven dat naast de verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte weinig of geen steunbewijs voorhanden is, omdat bij de tenlastegelegde handelingen alleen de verdachte en het slachtoffer aanwezig zijn geweest. Indien steunbewijs ontbreekt of door de rechter ontoereikend wordt bevonden, blijven de beschuldigende verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte als onverenigbaar tegenover elkaar staan. In dat geval laat het systeem van de strafwet geen ruimte voor een bewezenverklaring, omdat op grond van artikel 342 lid 2 Sv de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag baseren op de verklaring van één getuige. De verdachte kan dan niet worden veroordeeld.” | Hoog – Dagboekaantekeningen onvoldoende steunbewijs |
| ECLI:NL:GHAMS:2017:2867 | GHAMS 2017 | Verklaring slachtoffer, context-verklaringen getuigen, emoties moeder | “De verklaring van [slachtoffer] wordt in zoverre ondersteund door ander bewijs dat getuigen verklaren dat i) de verdachte [slachtoffer] geregeld naar bed bracht, ii) [slachtoffer] tijdens het logeren met de verdachte in één bed sliep en iii) de verdachte en [slachtoffer] samen onder een plaid op de bank videogames speelden. Deze verklaringen zien weliswaar op de context waarbinnen de seksuele handelingen volgens [slachtoffer] zouden hebben plaatsgehad, maar bieden onvoldoende concrete steun voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Ook de emoties van [slachtoffer] die zijn moeder heeft waargenomen toen [slachtoffer] haar over het misbruik vertelde, bieden deze steun niet. Zij onderstrepen wel de geloofwaardigheid van [slachtoffer], maar zij houden als steunbewijs voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen onvoldoende verband met die handelingen als zodanig.” | Zeer hoog – Exact vergelijkbare overwegingen over emoties en context |
Sectie C: vergelijking met bewezenverklaringen
| ECLI | Instantie/jaar | Type steunbewijs / doorslaggevende bewijsmiddelen | Kernverschil t.o.v. onderhavige zaak |
| ECLI:NL:GHARL:2023:9905 | GHARL 2023 | Chatgesprekken met erkennende uitlatingen verdachte | “Uit een chatgesprek tussen aangeefster en verdachte blijkt onder meer dat aangeefster tegen verdachte zegt dat ze sliep, dat ze zich dood schrok en dat verdachte geen toestemming had om aan haar te zitten. Verdachte chat terug ‘sorry’. Ze duidt ook nader waar ze van schrok, namelijk dat zij op bed ligt en hij naakt op haar komt liggen. Verdachte chat in reactie ‘neee Dat weet ik’ en ‘ik kon me even niet inhouden’” Cruciaal verschil: Erkennende uitlatingen verdachte in chats; in Borsato-zaak geen ondubbelzinnige bekentenis |
| ECLI:NL:GHARL:2022:11185 | GHARL 2022 | Seksueel getinte chatberichten + foto’s op telefoon verdachte + zoekgeschiedenis | “Het hof is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster omtrent de tenlastegelegde handelingen worden ondersteund door de seksueel getinte chatberichten tussen verdachte en aangeefster die zich in het dossier bevinden. Dat deze chatberichten sarcastisch bedoeld waren zoals verdachte heeft betoogd, acht het hof niet aannemelijk. Naast de chatberichten vormen naar het oordeel van het hof ook voornoemde foto’s redengevend bewijs dat de relatie tussen verdachte en aangeefster niet enkel een vriendschappelijke relatie was. Verder acht het hof het relevant dat in verdachtes browsegeschiedenis zoektermen als ‘is een relatie met minderjarige strafbaar’ en ‘seks met minderjarigen’ zijn aangetroffen” Cruciaal verschil: Chatberichten + foto’s + zoekgeschiedenis vormen meervoudig steunbewijs uit onafhankelijke bronnen |
| ECLI:NL:RBZWB:2025:529 | RBZWB 2025 | Chatbericht verdachte + eigen verklaring verdachte | “Zo bevindt zich in het dossier een chatbericht tussen verdachte en [naam 2] van 8 juni 2024, welke is aangetroffen op de telefoon van verdachte en waarin verdachte aangeeft dat hij ‘[slachtoffer 1] laatst naakt had gezet’. Als [naam 2] om een foto vraagt, geeft verdachte aan dat ‘deze opeens weg is’… Voorts vindt de verklaring van [slachtoffer 1] steun in de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd bij de politie, waarin hij bevestigt dat hij met [slachtoffer 1] in de kleedkamer is geweest en dat er iets seksueels heeft plaatsgevonden. Daarmee bevestigt verdachte de concrete context, waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden.” Cruciaal verschil: Verdachte maakt zelf erkennende uitlatingen in chats en verklaring |
| ECLI:NL:RBNHO:2023:856 | RBNHO 2023 | Waargenomen emoties direct bij eerste onthulling + eigen verklaring verdachte over kernhandelingen | “De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] worden ondersteund door de verklaring van [getuige] die, zoals hiervoor beschreven, zeer hevige emoties bij [slachtoffer] heeft waargenomen op het moment dat hij voor het eerst naar buiten trad met het seksueel misbruik. De rechtbank acht de verklaring van [getuige] echter niet voldoende om tot wettig en overtuigend bewijs te komen van alle aan de verdachte ten laste gelegde seksuele handelingen… Voor hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard ten aanzien van het over en weer aanraken van de penis en het over en weer in de mond nemen daarvan in de douche in de woning van de verdachte, vindt de rechtbank echter, naast de verklaring van [getuige], steunbewijs in de verklaring die de verdachte zelf heeft afgelegd.” Cruciaal verschil: Verdachte legt zelf erkennende verklaring af over kernhandelingen |
| ECLI:NL:GHSHE:2021:4401 | GHSHE 2021 | WhatsApp-berichten met excuus (“sorry”) na beschuldiging | “Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de betrouwbaar geachte verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige… Steunbewijs mag in beginsel niet enkel afkomstig zijn van dezelfde bron. Wel kunnen bepaalde waarnemingen of vaststellingen die niet van de getuige afkomstig zijn voldoende steunbewijs opleveren.” Cruciaal verschil: WhatsApp “sorry” na beschuldiging = erkennende uitlating verdachte |
| ECLI:NL:RBLIM:2024:703 | RBLIM 2024 | WhatsApp verdachte erkennend + emoties getuigen | “In een WhatsApp gesprek schrijft de verdachte aan [slachtoffer]: ‘iedereen kunnen eens fouten maken’, ‘Ja is gebeurd ik kan ook niks aan doen’, ‘Maar is automatisch gebeurd door jou gedraag je hebt te schattig gedaan’… Ander steunbewijs vormt het hierboven weergegeven Whatsappgesprek tussen de verdachte en [slachtoffer]. De berichten van de verdachte bevestigen volgens de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] dat zij verkracht is, en tonen aan dat de verdachte wist dat hij fout was.” Cruciaal verschil: Verdachte erkent in WhatsApp dat er “iets is gebeurd” en dat hij “fout” was |
Sectie D: kansinschatting
Vrijspraakkans: 8/10
Juridische onderbouwing
1. Vaste HR-lijn over bewijsminimum
De Hoge Raad hanteert een consistente lijn over artikel 342 lid 2 Sv:
“Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.”
2. Dagboek uit dezelfde bron
De HR heeft in ECLI:NL:HR:2012:BS7910 bevestigd dat dagboekaantekeningen van het slachtoffer zelf onder omstandigheden wél steunbewijs kunnen opleveren, maar alleen wanneer deze worden aangetroffen door derden (onafhankelijke vindwijze) en ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. In de Borsato-zaak ontbreekt dergelijke ondersteuning.
3. Emoties als steunbewijs: behoedzaamheid vereist
De P-G conclusie in ECLI:NL:PHR:2024:251 waarschuwt expliciet:
“Om te beginnen de vraag of en in hoeverre aan verklaringen van derden over waargenomen emoties bij het slachtoffer ‘voldoende steun’ kan worden ontleend. In de literatuur wordt vaak als vuistregel aangenomen dat bewijsmiddelen die enkel bestaan uit waargenomen ‘emoties’ of ‘gedragsveranderingen’ onvoldoende zijn om van ‘voldoende steun’ te kunnen spreken, omdat dergelijke informatie in essentie valt terug te voeren op dezelfde bron. Het gaat hier echter slechts om een vuistregel; indien een getuige het slachtoffer in een emotionele toestand treft direct na het vermeende delict, en/of die waarneming van emoties gepaard gaat met waarnemingen van de fysieke gesteldheid van het slachtoffer, is sprake van een eigen waarneming die – onder omstandigheden – voldoende steun zou kunnen opleveren.”
In de Borsato-zaak zijn de emoties niet direct na het incident waargenomen, maar pas jaren later bij de disclosure.
4. Cruciaal verschil met bewezenverklaringen
Alle geanalyseerde bewezenverklaringen hebben één gemeenschappelijk kenmerk: erkennende uitlatingen of bekentenissen van de verdachte zelf in chats, WhatsApp-berichten of eigen verklaringen. In de Borsato-zaak:
- Tas-op-tafel gesprek bevat geen ondubbelzinnige bekentenis
- Telefoongesprek bevat geen ondubbelzinnige bekentenis
- WhatsApp-gesprekken bevatten geen erkennende uitlatingen
5. Bestendige jurisprudentiële lijn
De vrijspraak past binnen een bestendige lijn:
- ECLI:NL:HR:2018:717: cassatie verworpen, vrijspraak bevestigd
- ECLI:NL:HR:2024:643: cassatie gegrond wegens onvoldoende motivering bewijsminimum
- ECLI:NL:GHARL:2025:4683: vrijspraak, dagboek/emoties/auditu onvoldoende
6. Kwalificatievraag aanrakingen boven kleding
De rechtbank oordeelt dat aanrakingen van benen en billen boven kleding niet als ontuchtig kwalificeren. Dit is een feitelijke beoordeling die voorbehouden is aan de feitenrechter, maar past binnen de jurisprudentie die context-afhankelijke beoordeling vereist.
7. Resterende onzekerheid (2 punten aftrek)
De onzekerheid vloeit voort uit:
- De casusgebonden beoordeling die de HR voorschrijft: iedere rechter weegt feiten anders
- De exacte inhoud van het tas-op-tafel-gesprek is niet volledig bekend; een andere rechter zou mogelijk meer gewicht aan bepaalde passages kunnen toekennen
- De feitelijke beoordeling van het ontuchtig karakter is voorbehouden aan de feitenrechter
Conclusie
De vrijspraak in ECLI:NL:RBMNE:2025:6495 past binnen de vaste jurisprudentiële kaders van de Hoge Raad. De bewijsconstructie voldoet aan het typische patroon waarvoor de HR vrijspraken heeft bevestigd:
- Eén getuigenverklaring (aangeefster) die niet onbetrouwbaar wordt geacht
- Dagboek uit dezelfde bron
- Emoties niet direct na incident waargenomen
- Auditu-verklaringen uit dezelfde bron
- Gesprekken zonder ondubbelzinnige bekentenis
- Geen erkennende uitlatingen verdachte
Een andere rechtbank, geconfronteerd met identieke feiten en bewijsmiddelen, zou met grote waarschijnlijkheid tot dezelfde conclusie komen. De inschatting van 8/10 is gebaseerd op overwegend bestendige lijnen in de rechtspraak (juridische voorspelbaarheid).
Het oordeel van SAGA
De analyse van Saga had dezelfde structuur en kwam met andere jurisprudentie tot dezelfde conclusie. Saga maakt een nog langere analyse (Andri 2700, Saga 4200 woorden) Ik haal niet alles aan omdat veel een herhaling is. Belangrijk is het eindoordeel van Saga, dat identiek is aan Andri.
SECTIE D – KANSINSCHATTING
Vrijspraakkans: 8/10
Juridische onderbouwing
1. De rol van het bewijsminimum (art. 342 lid 2 Sv)
De Hoge Raad heeft in bestendige rechtspraak (verwijzing naar Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4683) geformuleerd dat het bewijsminimum vergt dat de verklaring van één getuige (slachtoffer) “op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen” die:
- afkomstig zijn uit een van het slachtoffer onafhankelijke bron;
- op relevante wijze in verband staan met de verklaring;
- niet een te ver verwijderd verband vertonen.
In ECLI:NL:RBMNE:2025:6495 is geen enkel bewijsmiddel aanwezig dat aan deze criteria voldoet:
- De auditu-verklaringen: afgewezen als zelfde bron (aangeefster zelf)
- Opgenomen gesprekken: geen ondubbelzinnige bekentenis, bovendien jaren ná feiten
- WhatsApp-berichten: temporeel niet bruikbaar (ná tenlastegelegde periode)
- Emotiewaarnemingen: te ver verwijderd in tijd (4-8 jaar ná feiten)
- Dagboek: zelfde bron + onduidelijke dateringen
Deze cumulatieve afwezigheid van steunbewijs maakt de bewijsconstellatie vrijwel identiek aan de vrijgesproken zaken in Sectie B, met name:
- ECLI:NL:GHARL:2025:4191, 2749, 4683 (Hof Arnhem-Leeuwarden): telkens vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs
- ECLI:NL:RBMNE:2024:2318 (zelfde rechtbank): identieke bewijsredenering
- ECLI:NL:RBLIM:2025:1823, NL:RBNHO:2025:5733: vergelijkbare temporele problemen met bewijsmiddelen
De rechtspraak toont een juridisch voorspelbare lijn: waar steunbewijs uit onafhankelijke bron ontbreekt en/of temporeel te ver verwijderd is, volgt vrijspraak, ongeacht de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer. Dit blijkt uit ECLI:NL:GHARL:2025:2749: “Indien steunbewijs ontbreekt of door de rechter ontoereikend wordt bevonden, blijven de beschuldigende verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte als onverenigbaar tegenover elkaar staan. In dat geval laat het systeem van de strafwet […] geen ruimte voor een bewezenverklaring.”
2. De waardering van specifieke bewijsmiddelen
Dagboeken/handgeschreven passages:
ECLI:NL:RBMNE:2025:6495 sluit aan bij de in ECLI:NL:PHR:2018:217 (conclusie A-G) geformuleerde terughoudendheid: een dagboekaantekening door slachtoffer zelf is in beginsel geen steunbewijs omdat uit dezelfde bron. De verwijzing van het OM naar HR 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BS7910) wordt terecht afgewezen: in die zaak waren er andere verklaringen die steunbewijs opleverden, niet het dagboek op zichzelf.
Heimelijke opnames:
De rechtbank past zeer terughoudende interpretatie toe, zoals vereist voor heimelijk opgenomen gesprekken zonder ondubbelzinnige bekentenis. Dit strookt met vaste jurisprudentie dat niet-ontkennen ≠ bekennen en dat interpretatie van “waarom iets niet gezegd is” nog terughoudender moet worden benaderd dan interpretatie van wat wél gezegd is. De temporele afstand (gesprekken uit 2019, feiten 2014-2015) én de complexe relationele context (vriendschap, werkrelatie, vertrouwensband) maken dat rechtbank terecht geen ondubbelzinnige bekentenis leest in ambigue uitlatingen.
Emotiewaarnemingen:
De rechtbank volgt de door Hoge Raad gestelde eis dat emotiewaarnemingen temporeel nauw verbonden moeten zijn met het feit (vlak erna). De afwijzing van emotiewaarnemingen 4-8 jaar later is juridisch correct en strookt met vergelijkbare zaken (ECLI:NL:RBNNE:2025:1483: emoties jaren later onvoldoende verbonden met beschuldiging).
3. De kwalificatiebeslissing: resterende handelingen niet ontuchtig
Zelfs als het bewijsminimum geen probleem zou zijn geweest (hypothetisch), oordeelt de rechtbank dat de enig bewezen te achten handelingen (aanraken benen/billen over kleding) niet als ontuchtig kunnen worden gekwalificeerd gelet op:
- Context: begroetingen, knuffels, spelletjes in vertrouwde sfeer
- Geen seksuele intentie aantoonbaar
- Aangeefster zelf verklaart dat spelletje (tik op billen) niet waarover aangifte gaat
Deze contextuele beoordeling sluit aan bij vaste rechtspraak dat “ontuchtig karakter” afhangt van concrete omstandigheden (aard handeling, context, leeftijd, interactie, intenties – zie ECLI:NL:HR:2025:870). De rechtbank past deze criteria zorgvuldig en gemotiveerd toe.
4. Contra-indicaties
Een belangrijk element dat de vrijspraak ondersteunt, zijn de contra-indicaties:
- Aangeefster vertoonde geen gedragsverandering t.o.v. verdachte na vermeende feiten
- Bleef enthousiast contact zoeken, ging op schoot zitten, zocht verdachte op bij concerten (nog in voorjaar 2019, kort voor vondst dagboek)
- Geen enkele getuige (incl. moeder) heeft afwijkend gedrag waargenomen
Deze contra-indicaties zijn niet doorslaggevend (niet elke slachtoffer vertoont gedragsverandering), maar versterken wel het beeld dat steunbewijs onvoldoende is.
5. Vergelijking met bewezenverklaringen: cruciale verschillen
De bewezenverklaringen in Sectie C tonen dat temporele nabijheid van steunbewijs cruciaal is:
- ECLI:NL:RBNHO:2025:469: opgenomen gesprek kort na incident, emoties waargenomen dezelfde nacht
- ECLI:NL:RBMNE:2025:4914: getuige belt relatief kort na verkrachting, waarneemt emoties op dag zelf
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2058: WhatsApp-berichten tijdens/rond vermeende feiten, seksueel getint
In ECLI:NL:RBMNE:2025:6495 ontbreekt deze temporele nabijheid volledig. Dit is een fundamenteel verschil dat vrijspraak voorspelbaar maakt.
6. Afstemming score (8/10)
Waarom geen 9 of 10?
- Er is enige ruimte voor verschillende waardering van de verklaring aangeefster zelf: een rechtbank die deze als volstrekt betrouwbaar en concreet genoeg beoordeelt, zou mogelijk (in combinatie met zeer ruime interpretatie van contextuele bewijsmiddelen) tot veroordeling kunnen komen.
- De kwalificatiebeslissing (aanraken benen/billen over kleding niet ontuchtig) is contextafhankelijk: een andere rechtbank zou dit mogelijk anders kunnen kwalificeren bij andere waardering van rolverhouding/vertrouwensband.
Waarom geen 7 of lager?
- De bewijsconstellatie is zo expliciet problematisch (geen enkel bewijsmiddel voldoet aan criteria onafhankelijke bron + relevante wijze + niet te ver verwijderd) dat vrijspraak hoogst waarschijnlijk is.
- De rechtspraak toont consistente lijn: waar steunbewijs ontbreekt in deze mate, volgt vrijspraak (zie 6 vergelijkbare vrijspraken in Sectie B, waarvan 3 uit 2025).
- De Hoge Raad heeft geen ruimte gelaten voor versoepeling van bewijsminimum in zedenzaken; integendeel, recente rechtspraak (ECLI:NL:PHR:2025:560, conclusie A-G 2025) bevestigt strikte toepassing.
Conclusie:
De probabilistische inschatting 8/10 is gebaseerd op overwegend bestendige lijnen in de rechtspraak. De bewijsconstellatie in ECLI:NL:RBMNE:2025:6495 vertoont zodanige structurele gebreken (afwezigheid steunbewijs uit onafhankelijke bron, temporele problemen, contra-indicaties) dat een andere rechtbank in Nederland, geconfronteerd met identieke casus, met zeer hoge waarschijnlijkheid eveneens tot vrijspraak zou komen. De score is niet hoger omdat rechterlijke vrijheid bestaat bij kwalificatiebeslissing (ontucht) en waardering betrouwbaarheid verklaring, en niet maximaal omdat in uitzonderlijke gevallen een zeer ruime interpretatie van contextuele omstandigheden als steunbewijs theoretisch denkbaar is – maar dit zou afwijken van de heersende jurisprudentiële lijn.
De analyse van LEXBOOST
Lexboost heeft tegenwoordig de mogelijkheid om PDF’s te uploaden, dat is nieuw. De app haalde nog weer andere jurisprudentie aan dan Andri en Saga, breder, meer typen zedendelicten, niet alleen ontucht met minderjarigen. Conclusie Lexboost over Borsato:
Sectie D – Kansinschatting
Vrijspraakkans: 9/10
Juridische toelichting
De kans dat een andere rechtbank in Nederland bij een feitelijk en bewijsrechtelijk identieke casus eveneens tot vrijspraak komt, is zeer groot. Dit volgt uit de bestendige lijn in de rechtspraak, waarin de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv strikt wordt toegepast: een veroordeling mag niet uitsluitend steunen op de verklaring van één getuige, ook niet als deze betrouwbaar wordt geacht. Steunbewijs moet betrekking hebben op de kern van het tenlastegelegde en mag niet te ver verwijderd zijn van de relevante gedragingen.
In de onderhavige zaak ontbreekt elk objectief of onafhankelijk steunbewijs voor de kernfeiten. Auditu-verklaringen en heimelijke opnames leveren geen dragend bewijs op. De resterende gedragingen (aanraken benen en billen over kleding) zijn door de rechtbank expliciet niet als ontuchtig gekwalificeerd, conform de invulling van het begrip ‘ontucht’ in de jurisprudentie.
Vergelijkbare vrijspraken (zie Sectie B) tonen een consistente toepassing van deze bewijsconstructie. In zaken waarin wél tot een bewezenverklaring is gekomen (zie Sectie C), was steeds sprake van aanvullend, objectief of contextueel steunbewijs, of van een andere kwalificatie van de handelingen.
De Hoge Raad heeft in vaste rechtspraak het belang van de bewijsminimumregel en de eisen aan steunbewijs in zedenzaken benadrukt. De onderhavige casus sluit naadloos aan bij deze lijn. Er is geen sprake van een verdeeld beeld in de lagere rechtspraak; de voorspelbaarheid is groot.
Conclusie: Bij afwezigheid van steunbewijs en bij eenzelfde kwalificatie van de resterende gedragingen als niet-ontuchtig, is de kans op vrijspraak in een identieke zaak zeer hoog.
Het verschil in jurisprudentie tussen de drie apps
Ik vond geen echte hallucinaties. Saga maakte een tekstuele of juridische vergissing door met de aanduiding Hoge Raad naar een op zichzelf juiste Gerechtshof-uitspraak te verwijzen. Lexboost zocht breder dan Andri en Saga naar ‘zedendelicten’ en niet alleen naar 247 Sr. Lexboost plaatste één uitspraak zowel in de categorie ‘vrijspraak’ als ‘veroordeling’. Andri en Saga waren de meest zuivere en precieze rechters van dit drietal.
Saga maakte een mooi overzicht van het verschil in aangehaalde jurisprudentie door zichzelf (Mijn analyse) door Andri (tweede analyse) en Lexboost (derde analyse).
| Analyse | Sterkte | Zwakte | Unieke bijdrage |
|---|---|---|---|
| Mijn analyse | Zeer recente uitspraken (2024-2025); temporele focus als structurerend principe; systematische tabellen; zelfde rechtbank als Borsato | Beperkte HR-rechtspraak; minder diepte per uitspraak | Actualiteit (12 van 13 uitspraken 2024-2025); temporele nabijheid als expliciet criterium |
| Tweede analyse | Gevestigde HR-rechtspraak; uitgebreide citaten; P-G conclusies; klassieke uitspraken (2017-2024) | Minder recente uitspraken (geen 2025); beperkte systematische structuur | Juridische diepte via HR/P-G; erkennende uitlatingen als rode draad; letterlijke citaten voor controleerbaarheid |
| Derde analyse | Brede geografische spreiding; temporele consistentie (2020-2024); focus op rechtbankniveau; expliciete kwalificatiebeslissingen ontucht | Geen HR-rechtspraak; geen citaten; datafout (RBZWB:2024:6150); geen 2025-uitspraken; minder controleerbaar | Geografische spreiding (7 verschillende rechtbanken); DNA-bewijs (RBOBR:2024:4801) als krachtigste vorm objectief steunbewijs |
Andri paste op basis van de Lexboost-analyse de inschatting aan:
Kritische bevinding volgens Andri: geen contra-voorbeeld in verzameling
Cruciaal: In de verzamelde negen uitspraken bestaat geen enkele bewezenverklaring waarbij:
- Verdachte ontkent ÉN
- Geen erkennende uitlatingen ÉN
- Geen objectief/forensisch bewijs
Alle bewezenverklaringen bevatten minimaal één van deze drie elementen. Borsato mist alle drie.
Artikel-overstijgende conclusie volgen Andri
Kansinschatting: 9/10 vrijspraak
Grondslag (universeel, niet art.-specifiek):
- Art. 342 lid 2 Sv = universeel principe
- Drie vervangbare factoren voor steunbewijs:
- Temporele afstand = kwalitatief probleem
- Schakelbewijs-kritiek = cross-delict
Waarom 9/10 in plaats van 8/10?
De artikel-overstijgende blik toont dat de bewijsrechtelijke structuur niet art.-afhankelijk is. De Borsato-bewijsconstellatie past in het universele patroon van:
- Verklaring slachtoffer (betrouwbaar geacht)
- Geen steunbewijs uit onafhankelijke bron
- Geen erkennende uitlatingen
- Geen forensisch bewijs
- Temporele afstand steunbewijs
Dit patroon leidt dwars door alle zedendelicten heen tot vrijspraak. De voorspelbaarheid is dus niet beperkt tot art. 247 Sr-jurisprudentie, maar geldt voor het gehele zedenrechtelijke spectrum.
Conservatieve nuancering (1 punt aftrek)
De casusgebonden beoordeling die rechters voorschrijven, blijft bestaan. Een rechter zou theoretisch kunnen oordelen dat:
- De contextuele bewijsmiddelen in Borsato wel voldoende steun bieden (tegen de heersende lijn in)
- De kwalificatie van resterende handelingen wel ontuchtig is (feitelijke beoordeling)
Deze theoretische mogelijkheid rechtvaardigt 9/10 in plaats van 10/10.
Het advies voor Knoops, in geval van een OM-appèl: benadruk dat 342 lid 2 Sv (bewijsminimum) universeel is: toon dat aan met meer dan alleen art. 247 Sr-jurisprudentie, wijs er op dat verkrachting-, ontucht- en zorgverlener-zaken identieke criteria hanteren; benadruk de kwantitatieve sterkte (consistent patroon over 2020-2025, haal aan hoeveel rechterlijke instanties/uitspraken een identieke bewijsminimum-toets toepassen).
De door mij gebruikte prompt
Rol en taak
Je treedt op als juridisch analist met gevorderde kennis van het Nederlandse straf(proces)recht, in het bijzonder zedenzaken (art. 242–250 Sr) en bewijsrecht (art. 338–344a Sv). Je analyseert onderstaande uitspraak en vergelijkt deze met relevante Nederlandse jurisprudentie.
Te analyseren uitspraak
- ECLI: NL:RBMNE:2025:6495
- Rechtsgebied: strafrecht, art. 247 Sr (ontucht met een minderjarige beneden de 16 jaar)
- Instantie / samenstelling: rechtbank Midden‑Nederland, meervoudige kamer
- Uitkomst: vrijspraak
Juridisch relevante kernpunten
Breng, op basis van de volledige uitspraak, ten minste de volgende aspecten scherp in kaart (geen parafrase van de feiten, maar een juridische structurering):
1. Tenlastelegging en delictsomschrijving
– Exacte delictsbepaling(en) (art. 247 Sr) en de kern van de tenlastelegging (aard, frequentie en periode van de gestelde ontuchtige handelingen; leeftijd aangeefster; verhouding verdachte–aangeefster).
2. Bewijskader en bewijsredenering
- Toepassing van art. 338 Sv en art. 342 lid 2 Sv (bewijsminimumregel: unus testis, nullus testis).
- Opvatting van de rechtbank over:
- betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster;
- de vraag of en welk “steunbewijs” aanwezig is;
- de betekenis en beperkingen van de auditu‑verklaringen;
- de waardering van in het geheim opgenomen gesprekken (geen ondubbelzinnige bekentenis).
3. Juridische duiding ‘ontucht’
- Hoe de rechtbank het begrip “ontuchtige handelingen” invult (seksuele aard, strijd met sociaal‑ethische norm, context, leeftijd, rolverhouding, intentie).
- Specifieke overweging dat aanrakingen van benen en billen over kleding in casu niet als ontuchtig kwalificeren.
4. Conclusie rechtbank
- Redengevende overwegingen voor vrijspraak:
- ontbreken van voldoende steunbewijs voor de zwaardere handelingen (onder kleding, borsten/tepels/vagina/schaamlippen, laten betasten geslachtsdeel);
- kwalificatie van de resterende gedragingen als niet‑ontuchtig.
Gebruik deze structuur expliciet in je analyse (bijvoorbeeld als subkopjes).
Analyse-opdracht
1. Vergelijking met andere vrijspraken in zedenzaken
Voer een jurisprudentieanalyse uit naar Nederlandse strafzaken inzake (vermeende) ontucht / seksueel misbruik, bij voorkeur met art. 247 Sr of verwante zedendelicten, waarin eveneens vrijspraak is gevolgd.
Selecteer bij voorkeur:
– Minimaal 5 zaken met:
- vergelijkbare bewijsproblematiek (verklaring aangeefster tegenover ontkenning verdachte, weinig of geen objectief steunbewijs);
- toepassing van art. 342 lid 2 Sv en overwegingen over steunbewijs;
- discussie over (on)voldoende ontuchtig karakter van bepaalde aanrakingen;
- waardering van dagboekaantekeningen, chat-/app‑verkeer of heimelijke opnames als (al dan niet) zelfstandig bewijs of steunbewijs.
Beschrijf per zaak beknopt maar juridisch scherp:
- ECLI en instantie;
- kern van het feitencomplex (alleen zover relevant voor de bewijs- en kwalificatievraag);
- kernoverweging(en) die tot vrijspraak leidden (met aandacht voor:
- bewijsminimum;
- aard en gewicht van steunbewijs;
- waardering slachtofferverklaring;
- kwalificatievraag ontucht);
- een inschatting van de mate van vergelijkbaarheid met de onderhavige zaak: Hoog / Gemiddeld / Laag,
met een korte juridische motivering (bijvoorbeeld: “hoog, omdat in beide zaken uitsluitend één getuigenverklaring tegenover een ontkennende verdachte staat, zonder onafhankelijk steunbewijs voor de kernhandelingen”).
2. Vergelijking met zaken met bewezenverklaring
Voer een spiegelbeeldige analyse uit van minimaal 5 Nederlandse zedenzaken (bij voorkeur art. 247 Sr of verwante bepalingen) waarin wél tot een bewezenverklaring is gekomen in een feitelijk vergelijkbare context (relatie, leeftijd, setting).
Leg de nadruk op:
- Welke bewijsmiddelen in die zaken wél doorslaggevend waren als steunbewijs (bijvoorbeeld: forensisch bewijs, medische bevindingen, directe waarnemingen door derden, consistente chat-/app‑berichten kort na het feit, directe bekentenis, consistente verklaringen van meerdere, onafhankelijke getuigen).
- Hoe de rechter de bewijsminimumregel (art. 342 lid 2 Sv) en het steunbewijs concretiseert.
- Of en hoe de rechter het ontuchtig karakter van soortgelijke aanrakingen anders kwalificeert.
Beschrijf per zaak:
- ECLI en instantie;
- type en gewicht van het aanwezige steunbewijs;
- het cruciale verschil met de onderhavige zaak (bijv. “in tegenstelling tot RBMNE:2025:6495 beschikte de rechter hier over direct waargenomen gedrag kort na het incident, bevestigd door onafhankelijke derden”).
3. Probabilistische inschatting: kans op vrijspraak elders
Maak vervolgens een gekwalificeerde, probabilistische inschatting van de vraag:
“Hoe waarschijnlijk is het dat een andere rechtbank in Nederland, geconfronteerd met een feitelijk en bewijsrechtelijk identieke casus, eveneens tot vrijspraak komt?”
Geef een score op een schaal van 1 tot 10:
- 1 = zeer onwaarschijnlijk (vrijwel zeker veroordeling),
- 10 = zeer waarschijnlijk (vrijwel zeker vrijspraak).
Motiveer deze score expliciet en juridisch onderbouwd, onder meer door:
- verwijzing naar relevante vaste rechtspraak van de Hoge Raad over:
- art. 342 lid 2 Sv (unus testis, nullus testis);
- het begrip en vereisten van “steunbewijs” in zedenzaken;
- de waardering van dagboeken, chatlogs, auditu‑verklaringen en heimelijke opnames;
- vergelijking met de onder 1 en 2 besproken zaken;
- eventuele significante verschillen in benadering tussen rechtbanken en gerechtshoven, voor zover uit de jurisprudentie blijkt (zonder te vervallen in speculatie over individuele rechters).
Wees helder of jouw inschatting is gebaseerd op:
- overwegend bestendige lijnen in de rechtspraak (juridische voorspelbaarheid); of
- een zichtbaar verdeeld beeld in lagere rechtspraak, waarbij de Hoge Raad een meer kaderstellende rol heeft gespeeld.
Vereist outputformat
Structureer de output als volgt:
1. Sectie A – Analyse onderhavige uitspraak
- Korte juridische samenvatting volgens de vier kernpunten (tenlastelegging / bewijskader / ontucht / conclusie).
2. Sectie B – Vergelijking met vrijspraken
Tabel met ten minste kolommen:
- ECLI
- Instantie / jaar
- Korte omschrijving bewijsproblematiek
- Belangrijkste reden(en) vrijspraak
- Mate van vergelijkbaarheid (Hoog / Gemiddeld / Laag + korte juridische toelichting)
3. Sectie C – Vergelijking met bewezenverklaringen
Tabel met ten minste kolommen:
- ECLI
- Instantie / jaar
- Type steunbewijs / doorslaggevende bewijsmiddelen
- Kernverschil t.o.v. onderhavige zaak
4. Sectie D – Kansinschatting
Eén duidelijke score: Vrijspraakkans: X/10
Gevolgd door een beargumenteerde juridische toelichting (maximaal enkele alinea’s), waarin:
- de rol van het bewijsminimum;
- de afwezigheid / aanwezigheid van steunbewijs;
- de kwalificatie van de resterende handelingen als niet‑ontuchtig;
- de aansluiting bij of afwijking van bestendige jurisprudentiële lijnen
expliciet worden betrokken.
Let op:
- Vermijd normatieve of morele oordelen; beperk je tot juridisch-analytische beoordeling.
- Wees expliciet wanneer je spreekt over feitelijke vergelijkbaarheid versus louter juridische vergelijkbaarheid.
- Gebruik bij voorkeur juridisch precieze terminologie (zoals: bewijsconstructie, dragende overweging, kernbewijs, steunbewijs, contra‑indicaties, kwalificatiebeslissing).
